Dröge, Philip | Moresnet

Philip Dröge - MoresnetOnderzoeksjournalist, schrijver en columnist Philip Dröge  geeft in ‘Moresnet, opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje’ een interessant inkijkje in de geschiedenis van een ministaatje aan de grens van Nederland. Het is non-fictie die leest als een roman.

Uitvinder, metallurg, chemicus en zakenman Jean-Jacques Daniel Dony heeft zijn zinnen gezet op een streek tussen Luik en Aken. Het is 1805 als hij Napoleon Bonaparte vraagt om in dit gebiedje metalen te mogen delven. Napoleon laat uitzoeken waarom Dony uitgerekend in dat gebied geïnteresseerd is  en hem wordt verteld  dat daar een grote ader van zinkspaat te vinden is. Er is een kleine groeve waar al eeuwenlang gegraven wordt naar het geelbruine mineraal.  Deze groeve is eigendom van een Frans staatsbedrijf, maar niet aantrekkelijk voor commerciële bedrijven omdat het zinkspaat zo moeilijk te bewerken is, dat er nauwelijks winst mee valt te behalen. Wat bezielt Dony? Hij ziet brood in de onderneming omdat hij een nieuwe methode om zink te winnen heeft uitgevonden waardoor hij grote hoeveelheden  zal kunnen produceren. Als hij van Napoleon zowel toestemming krijgt om te delven als ook een patent op zijn uitvinding lijkt  de weg naar succes en rijkdom open te liggen.  Napoleon wordt beloond met een prachtige draagbare zinken badkuip. Hoewel de zinkgroeve later in andere handen zal overgaan, is het de groeve die het lot van de streek rond Kelmis zal bepalen.

Als Napoleon definitief van het toneel verdwijnt, komen de overwinnaars in Wenen bijeen om de grenzen binnen Europa opnieuw te trekken.  Ook de grens tussen Pruisen en het Koninkrijk der Nederlanden moest worden vastgesteld en hierbij ontstond verschil van mening over het gebied rond Kelmis. Het gebiedje zelf stelde niet veel voor, maar de zinkgroeve was een potentiële bron van inkomsten en daarom voor beide landen aantrekkelijk. Na vaak en langdurig vergaderen werd er een apart verdrag opgesteld waarin het gebied een neutrale status kreeg en onder de naam Neutraal Moresnet een ministaatje tussen Pruisen en het Koninkrijk der Nederlanden vormde. Het zou een tijdelijke oplossing zijn, maar het lukte niet om tot een definitief besluit te komen. Toen in 1830 de staat België ontstond, deed dit land zijn rechten op Moresnet gelden, maar ook de Belgen kwamen er niet uit met de Pruisen.

Dröge beschrijft op een levendige manier hoe in Neutraal Moresnet een heel eigen samenleving ontstaat. Omdat de status van het landje onduidelijk is, moet er bij belangrijke beslissingen steeds onderhandeld worden met de buurlanden die beide nog steeds aanspraak op het gebied maken. Dit betekent voor de bevolking soms onzekerheid, maar biedt ook kansen. De problemen rond onder andere de rechtspraak, smokkel, ontduiken van dienstplicht, het illegaal stoken van alcohol, het gokken en  prostitutie stelt  hij in ‘Moresnet’ aan de orde. Hij vergelijkt Neutraal Moresnet met het Amerikaanse Wilde Westen, dat net als Moresnet aantrekkingskracht had op avonturiers en criminelen. Zij konden zich tamelijk veilig voelen in een landje waar de politiemacht uit slechts één veldwachter bestond en waar de uitvoerende macht in handen was van één burgemeester. Bovendien viel het gebied niet onder Pruisische of Nederlandse / Belgische rechtspraak maar was de Code Napoleon van kracht, die weliswaar zware straffen op bepaalde misdrijven had staan, maar ook in veel gevallen niet toegepast kon worden omdat de betreffende misdrijven er niet in voorkwamen. Waar in de omringende landen het gokken bijvoorbeeld door de overheid actief werd tegengewerkt, kon men in Neutraal Moresnet lange tijd zijn gang gaan, omdat de Code Napoleon niets vermeldde over casino’s of weddenschappen. Men heeft toen met behulp van het artikel over samenscholing een eind aan de ongewenste gokpraktijken moeten maken.

Interessant is ook het hoofdstuk over de pogingen van een Fransman, Gustave Roy, om Moresnet het Esperanto als taal te laten omarmen en het internationale hoofdkwartier van de Esperanto-beweging te laten zijn. Een neutraal land en een neutrale taal, Neutraal Moresnet een Amikejo (oord van vrienden). Het zal echter nooit zo ver komen. Uiteindelijk maakt de Eerste Wereldoorlog een einde aan het bestaan van dit bijzondere staatje.

Dröge verstaat de kunst om allerlei historische feiten op een boeiende wijze met elkaar in verband te brengen en zo een goed leesbaar boek te schrijven waar zeker liefhebbers van geschiedenis veel plezier aan zullen beleven.

Plender, Geert | Geloven in topsport

Geloven in topsport - Geert PlenderGeert Plender was ooit leerling op de reformatorische scholengemeenschap Pieter Zandt, maar nog voor hij die met een diploma verliet, startte hij zijn professionele sportcarrière. Op zijn website staat er het volgende over te lezen: Professionele schaatsloopbaan met twee overwinningen in acht jaar marathonschaatsen op het hoogste niveau, met meer dan tien podiumplaatsen en een derde plaats in het algemeen klassement. Winnaar van het algemene klassement in het skeeleren, Nederlands kampioen in 2013, zesde van europa, elfde van de wereld. Een bijzondere combinatie, want in het reformatorisch smaldeel van Nederland worden de wenkbrauwen gefronst over sport in competitieverband en wordt topsport al helemaal afgekeurd.

Het maakte dat Plender een leven lang moest verantwoorden waarom hij zich toch met topsport bezighield. Zijn argumentatie heeft hij opgeschreven in het boekje Geloven in topsport. Die argumentatie bouwt hij met name op rond twee punten: hoe draagt (top)sport iets bij aan mijn relatie met God en hoe kan ik in (top)sport is betekenen in de dienst van God? Daarnaast geeft hij voorbeelden uit zijn eigen leven en uit dat van andere (sub)toppers.

Het eerste punt hangt sterk samen met de persoonlijke godsvisie die Geert Plender erop na houdt. Op pagina 20 schrijft hij: ‘God zegt niet tegen ons dat we ons aan geboden moeten houden’. Dat is wel opmerkelijk, aangezien de Bijbel, zowel het oude als het nieuwe testament, vol staat van aanwijzingen om dat wel te doen. Natuurlijk is God een vergevend God, zoals Plender betoogt, maar dat hij ons ontslaat van de plicht zijn geboden te houden staat nergens. Verder stelt hij dat God als een Vader wil genieten van Zijn kinderen, hun zelfontplooiing en eigenwaarde bezorgt Hem een glimlach om zijn mond. Dat vind ik een prachtig beeld, maar ook dan is het natuurlijk niet om het even waarmee je dat probeert te doen. Als je talent hebt voor schaatsen, is dat dan per se het enige dat je kunt ontplooien? Wel sterk is het dat hij topsport relativeert: winnen is nog steeds belangrijk, maar je dient God ook met een tweede plaats. Dat maakt het nietsontziende van topsport een stuk verteerbaarder. Kortom: het deel waarin hij uitlegt dat topsport hem dicht bij God brengt, is erg persoonlijk onderbouwd en minder Bijbels.

Het tweede punt is sterker uitgewerkt. Hij legt uit dat hij de vrijmoedigheid heeft gekregen in zijn team vrijuit te spreken over God, dat hij bij tijd en wijle zelfs zijn tegenstanders kon bemoedigen. Het voorbeeld van de fietsende dominee is ook prachtig. Het getuigen op de plek waar je staat is ook voluit Bijbels en een opdracht voor ons allen.

Het boekje kan dienen als een zinvolle impuls voor het denken in christelijke kring over sport in het algemeen en topsport in het bijzonder. Los van alle gedoe eromheen (verdwazing, zondagsheiliging) zouden we toch een zuiver standpunt moeten kunnen innemen over sport? Jammer dat de studievragen aan het eind juist niet die discussie aanzwengelen.

Lorzing, Han | Mijn generatie

9200000046118839Gouden jaren van Anne Greet van de Berg was en is een bestseller. We voegen Mijn generatie van Han Lorzing eraan toe. Wat een feest der herkenning! Een huldeblijk en ode aan de babyboomer.

Mijn generatie is een prachtig, handzaam boek. Zowel de binnen- als de buitenkant voelt prettig aan. Het boek heeft een mooie cover en kent sfeervolle illustraties die het ‘oh-ja-gevoel’ oproepen. Het verleden, de jaren ’70 t/m ’90 van de 20e eeuw, wordt op boeiende wijze in woord en beeld gebracht. Lorzing, die vaker schrijft over de alledaagse geschiedenis van de laatste tijd, brengt het verleden in contact met het heden en trekt voorzichtig lijnen naar de toekomst. Dit doet hij op aansprekende en aanstekelijke wijze. Het boek is opgedeeld in de volgende hoofdstukken: hoe het dagelijks leven veranderde, hoe de communicatie veranderde en verder hoe het verkeer, huis/stad/land en tot slot de maatschappij zelf veranderde. Elk hoofdstuk, of deel, bestaat uit kleinere stukken met elk een eigen titel die een aspect van het grotere geheel belichten. Enkele van die aspecten zijn: de veranderende muziekbeleving, de kledingstijl, van bakelieten telefoonmonster tot de intrede van het eerste mobieltje, hoe de televisie zijn debuut maakte en waar datzelfde apparaat nu staat en als laatste de veranderende geloofsbeleving en religievieringen.

Han Lorzing heeft een geheel eigen stijl van beschrijven. Die is nooit saai en opsommerig. Hij is vaak persoonlijk terwijl hij reflecteert op de ontwikkelingen die hij waarneemt. Hij is zelf kind van zijn tijd. Hij staat er middenin. En als je zelf onderdeel uitmaakt van … dan ontkom je er niet aan je te ‘bemoeien’ met hetgeen je observeert, beschrijft. Dat maakt dit verhaal zo smeuig. Zoals bij zijn beschrijving over schoolmelk: ‘Mijn persoonlijke, levenslange aversie tegen melk is grotendeels beinvloed door de manier waarop de schoolmelk werd aangeleverd: in ijzeren kratjes die op de stoep van de lagere school werden gezet en daar ’s zomers in de volle zon lange tijd bleven staan.’ En wanneer hij het heeft over de NS: ‘Op 16 juni overleed Leo Ploeger. Sommigen zullen verbaasd vragen: “Leo wie?”, maar voor degenen die thuis zijn in de wereld van het openbaar vervoer of behoren tot de groep politici met meer dan alleen een kortetermijngeheugen, is dat geen vraag. Ploeger, (…) is de geschiedenis ingegaan als de laatste echte NS’er die aan het hoofd stond van het spoorbedrijf: the last railroad man standing.’

Deze en andere fraaie anekdotes zorgen ervoor dat dit boek voor elke liefhebber van de recente geschiedenis een waar feest der herkenning is.

Eerder geplaatst op www.Hebban.nl

Boogers, Alex | De lezer is niet dood

1vvh9789057597909 (1)Alex Boogers komt met een ode aan de lezer. De springlevende lezer. Een oproep aan iedereen die de liefde voor het boek, het verhaal pur sang moet doorgeven: boekhandelaren, docenten, schrijvers en uitgevers. Een schotschrift. Een hekelschrift. Een pamflet. Een aanval gericht op iedere schrijver die zich laat meeslepen door de zucht, het verlangen naar meer erkenning, meer roem, meer geld, meer aandacht. Een verdediging voor diegene die zich hierdoor niet laat meeslepen, maar zich richt op het schrijven van een goed verhaal, omdat dat verhaal de moeite waard is, omdat dat verhaal geschreven moet worden.

In 64 niet mis te verstane pagina’s neemt de auteur de lezer mee op reis naar een ‘verschraald landschap’. In deze vreemde streek toont hij de lezer, die halfdood is. ‘De lezer is niet dood. We laten hem in een verschraald landschap sterven van de dorst. We geven hem zand in plaats van water. Maar dood is hij niet.’ 

De boodschap van zijn verhaal is dat er gezocht moet worden naar nieuwe lezers. Ondanks het feit dat er steeds minder gelezen wordt. ‘Als er onder de leerlingen een lezer zit die iets aan het boek heeft dat hem is aangereikt, dan is het niet voor niets geweest. Als er een mens is die een boek oppakt en openslaat en daarmee voor het eerst in zijn leven een lezer wordt, dan bestaat de lezer. Hij is niet dood.’

Boogers toont in mooie volzinnen met dito beeldspraak aan dat jarenlang de lezer hetzelfde leesvoedsel is voorgehouden. Hier was iedereen bij gebaat en niemand klaagde: schrijvers, boekhandelketens, uitgevers. Er werd geld verdiend. Daar draaide het allemaal om. Het ging om de massa, die toch wel vreet wat tot hem komt. Maar ondertussen is die lezer als de mishandelde gans die elke keer hetzelfde voer door zijn strot gedrukt krijgt, die vreet en vreet totdat hij niet meer kan. En het vervolgens uitbraakt. ‘Met het braaksel dat uit zijn mond gulpt ligt hij schokkend op de grond en kermt: ‘Red mij!’ De vorm van het boek werd belangrijker geacht dan het inhoudelijke verhaal. Dit tij dient te worden gekeerd. Want ‘niemand neemt de belangrijke taak van verloskundige op zich en helpt nieuwe lezers op weg. Waar staan de kraamkamers? Wie leidt in? Wie maakt de lezer?’

Alex Boogers houdt een schitterend pleidooi om de boekenlijsten (‘de boekenlijst als poppenkast’) op de middelbare scholen eens tegen het licht te houden en al die grote schrijvers van toen eruit te gooien en de lijsten te vernieuwen met de schrijvers van nu: schrijvers die dicht bij de mensen staan, die weten wat er leeft onder de mensen. Die een verhaal hebben te vertellen dat gehoord wil worden. ‘Ik zie dat er voor de lezer wordt bepaald wat hij leest, hoe hij het moet lezen, wat hij ervan moet vinden. Er wordt ons een voorstelling gegeven van de wereld zoals wij die moeten zien, maar niet zoals die werkelijk bestaat.’

Boogers is scherp. Messcherp. ‘De lezer is een kijker, de kijker is een verdwaalde lezer, een verstandelijk gehandicapt kind dat aan de hand wordt genomen en de titels en schrijvers op een presenteerblaadje krijgt aangereikt. ‘Toe maar, lees dit maar. Dit is goed.’ Het gaat de schrijvers tegenwoordig om aanzien en rijkdom. Maar ‘wie het werk maakt voor de massa is van nature angstig. Een producent van content.’

Wanneer ben je echt geslaagd als auteur? ‘Wie je boek zoekt, zal het vinden, en als je het, als schrijver, voor elkaar hebt gekregen dat er een lezer is die na het lezen van je boek iets anders naar de wereld kijkt, op een wijze zoals hij nooit eerder heeft gedaan, dan heb je veel bereikt. (…) Je bent voor heel even een god in de gedachten van die vreemde andere.’

Dit verhaal beukt je hersenen in. Het vraagt erom gelezen en herlezen te worden. Boogers toont aan dat het inderdaad om het verhaal gaat. Dit boekje is een puik voorbeeld van zijn eigen schrijversvisie.

Ruitenberg, Romhild | Gij zult gelukkig zijn

Romhild Ruitenburg - Gij zult gelukkig zijnDe maakbaarheid van het huidige bestaan is iets waar veel mensen onbewust van overtuigd zijn. Ben je ziek? Ga naar een dokter en leef gezonder. Word je niet blij van je werk? Volg een training of maak een carrièreswitch. En zo zijn er legio voorbeelden te verzinnen waaruit blijkt dat, zeker in het welvarende Westen, de mens niet accepteert dat hij niet volmaakt gelukkig is. In de meeste gevallen loopt dat uit op een aardse zoektocht naar meer geluk. Romhild Ruitenberg legt de vinger bij deze trend, maar stelt fijntjes de vraag wat dat geluk dan eigenlijk inhoudt. Vervolgens draagt hij aan dat de Bijbel aards geluk niet afwijst, maar er wel een eeuwig geluk aan toevoegt.

Dat geluk heeft een aantal kenmerken, waarvan het onvergankelijke ervan er dus een is. Daar waar aards geluk heel mooi en nastrevenswaardig kan lijken, gaat het altijd voorbij. Niet alleen aan het einde van dit leven, maar vaak ook al tijdens een mensenleven. Daarnaast is het erkennen van de gebrokenheid van het aardse bestaan juist onderdeel van het geluk en helpt het ons om onze blik voorbij het gebroken bestaan op aarde te slaan. Het helpt ons om een afhankelijk leven te leiden.

Inhoudelijk stelt Ruitenberg dat geluk bovenal goedheid is. Waar in aardse zin geluk vaak wordt ingevuld met ‘plezier hebben in je leven’, legt Ruitenberg uit dat het woord geluk in de Bijbel terug te voeren valt op het Hebreeuwse woord ‘tov’. Maar dat is hetzelfde woord dat gebruikt wordt door God om aan te geven dat de schepping ‘goed’ was. Geluk en goed liggen dus dicht bij elkaar, zijn eigenlijk hetzelfde. Voldoen aan hoe God het alemaal heeft bedoeld, dat is eigenlijk wat geluk is.

Aan het eind van het boekje vinden we nog enkele gespreksvragen bij elk hoofdstuk, bruikbaar voor bijvoorbeeld een studiekring en vereniging. Al met al een prachtig relativerend werkje en behulpzaam bij het accepteren van tijdeijk ongemak.

Woudenberg, van Wieke | Ik wil leven

ik-wil-leven-wieke-woudenberg-van-der-van-veen-boek-cover-9789038924564Wanneer je de diagnose kanker krijgt, staat je wereld volledig op zijn kop. Maar hoe is dat voor iemand die zelf kankerpatienten begeleidt? In 2010 kreeg de auteur van het boek Ik wil leven borstkanker. Yogalerares en levensfasecoach Wieke van Woudenberg stort in. Uiteindelijk is ze overleden in 2014. Haar strijd tegen de gevreesde ziekte wordt beschreven in dit boek. Vreugdevolle momenten worden afgewisseld met diep verdriet. De ene kuur op de andere volgt. Onderzoeken, een second-opinion… alles, maar dan ook werkelijk alles komt op de lezer af. Vanaf het prille begin dat de ziekte zich openbaarde tot ruim vijf jaar later is in dagboekvorm beschreven.

Het voorwoord bestaat uit twee delen: één van de behandelend arts Zoltan Schermann en één van internist-oncoloog Sabine Linn. De inleiding die erop volgt is van de hand van Wieke zelf uiteraard. We zien in de allereerste zin hiervan gelijk een slordige fout. De toon is gezet. Het leesproces vlot niet. Veel herhaling, eindeloos beschreven spirituele eigenaardigheden en soms te lange, haperende zinnen. Je worstelt je door de bladzijdes heen, zoals Wieke zich moet zien te ontworstelen aan de kanker die voortwoekert in haar lichaam.

Het schrijven van dit boek moet louterend zijn geweest voor de schrijfster, die door zo’n diep ziektedal heen is gegaan. Echter, het is te vrezen dat dit voor de lezer niet geldt. Tenzij… je zelf door een dergelijk dal bent gegaan. Dit boek is voor zo’n specifieke doelgroep geschreven, dat het de ‘algemene lezer’ niet kan boeien. Ongetwijfeld roept dit boek veel herkenning op bij diegene die ook kanker heeft (gehad), of bij diegene die spiritueel ingesteld is en zich bezighoudt met aardstralen, yoga, mandala’s, kaartleggen en andere vormen van spirituele activiteiten. De nuchtere lezer kan hier echter niets mee. Juist alle spirituele bezigheden van de schrijfster, waar zij zoveel baat bij heeft en rust in vindt, is de ballast in het verhaal. Juist deze zaken houden het verhaal enorm op, er zit geen vaart in. Wiekes schrijfstijl is bij vlagen mooi. Korte staccato zinnen zorgen ervoor dat je meeleeft met haar gevoel: “Ik kijk naar mijn linkerborst. Er is iets vreemds met die borst. (…) Opeens voel ik onrust. Het klopt niet. Ik durf niet goed te voelen.” Een slechte dag? Een korte(re) zin! Afgemeten, verbeten schrijft ze over de mindere periodes in haar ziek-zijn. Ook de nodige zelfspot en humor ontbreken niet. De woordkeuze van Wieke valt soms tegen: hard schrijft ze over de ziekte, de strijd, de pijn, gevoelens… begrijpelijk, maar houd het netjes qua woordgebruik.

Het is knap dat je als schrijfster je zo kwetsbaar durft op te stellen en een inkijk geeft in je persoonlijke leven. Gewaagd! De kritische noot is: Zit de lezer hier op te wachten? Een spanningsveld… Zelf schrijft ze in de inleiding: “Uiteindelijk zal de geschiedenis gaan bepalen of het inderdaad een gelezen boek wordt, hoe het zijn weg zal gaan vinden, de wereld in.” Wieke van Woudenberg heeft een intiem, emotioneel verhaal geschreven voor een zeer specifieke doelgroep, eerlijk maar ook vermoeiend.

Eerder geplaatst op www.Hebban.nl

Borst, Hugo | Ma

HugoHet is liefde wat de klok slaat. Ma Borst en Hugo Borst: beide pareltjes aan een zeldzaam waardevolle ketting. In Ma beschrijft schrijver, columnist en bekend voetbalcriticus Hugo Borst het aftakelende leven van zijn moeder, Joke. Ma lijdt aan dementie. Na haar broer en zussen is zij aan de beurt. Wat ze lange tijd al vreesde, wordt bewaarheid: ‘(…) ma had beginnende alzheimer. Ik hoorde haar koelbloedig zeggen dat ze er niet vreemd van opkeek met vier zussen en een broer voor haar die dement waren geworden.’ Wekelijks vertelt Hugo in het Algemeen Dagblad zijn belevenissen met zijn moeder. Als mantelzorger verzorgt hij ma liefdevol, bijgestaan door zijn vrouw, broer en schoonzus. Dat het niet alleen maar kommer en kwel is met zijn moeder, mag duidelijk zijn in zijn korte columns. Hugo gaat dementie te lijf met zijn humoristische en bij vlagen cynische strijdpen.

‘Daar zitten we weer, ma in haar grijze stoel, ik op de zwartleren bank. Tijger ligt op een dekentje naast me. ‘Bakkie koffie, ma?’ ‘Neem jij ook?’ Als ik op bezoek ga bij ma, kijk ik uit naar de kopjes koffie die ik ga zetten. Het is het ritueel, denk ik. De koffie zelf kan het niet zijn.’

De columns die betrekking hebben op haar ziekte worden afgewisseld met herinneringen van Hugo aan vroeger. Ma wordt beschreven in de periode voor haar ziekzijn. Een prachtig portret schetst de auteur in en tussen de regels door. Zintuiglijke ervaringen weet hij op te roepen. Vol warmte en zeer integer geschreven. Beeldend ook: ‘Als mijn moeder had gevoetbald, was ze nooit op de vleugels terechtgekomen. Ze zou in de as hebben gespeeld met soms een zwenking naar links.’ Om even de politieke voorkeur van ma neer te zetten…

Wanneer het thuis niet langer meer gaat met ma, wordt ze opgenomen in een verpleeghuis, steevast Verpleeghuis genoemd, met een hoofdletter, liefkozend. ‘Linksom of rechtsom, ma’s lot is bezegeld. Ze gaat naar een verpleeghuis en dat is een opluchting, want de afgelopen weken – och, ze was zo verdrietig, gedesoriënteerd en angstig – waren een kwelling voor ma.’

Bij ma gaat de dementie verder: ‘Ik ben zo blij dat ma mij nog herkent. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ze mij op een dag vergeten is.’ (…) Maar meneer Alzheimer is een dominante eikel. Hij stookt de boel op in ma’s bovenkamer, gooit de boel in de war. En zo is mijn moeder plotseling hebzuchtig geworden.’ Dan weer heel zakelijk en nuchter, dan weer emotioneel en beladen, raakt Hugo Borst de lezer diep in zijn ziel. Ma Borst wordt onze collectieve moeder, voor even… Met veel charme en ingehouden verdriet en pijn weet de schrijver te vertellen over het opruimen van het appartement van ma, in het stille besef dat ze hier nooit meer terugkeert. Het dagelijks leven in het Verpleeghuis raakt. De oude moeder op bed, slapend, wegkwijnend, dan weer vol levenslust bij tijden, staat op je netvlies gebrand, mede dankzij de waanzinnig mooie close-ups van Ma (geportretteerd door Margi Geerlinks).

Waarom dit boek? Borst: ‘Door over haar te schrijven, bestaat ma nog: ze is niet afgeschreven, ook al is zij een afgeleide van de moeder van wie ik heel mijn leven hou. Ik heb het gevoel dat ik haar met deze stukjes trouw blijf.’

De bewondering voor de verzorg(st)ers in het Verpleeghuis is ‘Euromasthoog’. Met recht kan dan ook gezegd worden dat Ma meer is dan alleen een boek. Ma is een monument, een ‘living-statue’ voor alle verzorg(st)ers. Een monument voor alle (dementerende) Ma’s.

Eerder geplaatst op www.Hebban.nl

Dolen, van H.L. | Passie, intriges en politiek

56558_9789025307394_cvr‘De keizerinnen werden geacht over de volgende deugden te beschikken: grootmoedigheid, bescheidenheid, mededogen en voor alles zelfbeheersing. Fysieke schoonheid is onmisbaar. Wereldse ijdelheid moesten zij verwerpen, want ‘die leidde rechtstreeks naar de hel’.'(…)

Hein van Dolen beschrijft in een pakkend, handzaam formaat de levens van tien keizerinnen van het Byzantijnse rijk. 12 eeuwen vergeten geschiedenis… Vrouwen die zeer divers van aard zijn, van schoonheid, van daden, van regeringswijze, tja, eigenlijk in van alles verschillen. Opmerkelijk in deze geschiedbeschrijving is dat elk meisje in Constantinopel keizerin kon worden: ‘Zij konden geselecteerd worden via een zogeheten bruidsshow of schoonheidswedstrijd waardoor zelfs meisjes van geringe komaf een kans kregen om lid van het keizerlijk huis te worden.’ De talentenjachten van deze tijd zijn er niets bij.

De opbouw van het boekje dat zo’n 160 pagina’s beslaat is zeer helder. Een korte maar duidelijke inleiding plaatst het onderwerp van dit boekje in de tijd. De contouren van het Byzantijnse rijk en de plaats die de keizerinnen hier innamen wordt geschetst. Na deze introductie volgt een Vooraf.

Voor een goed begrip van dit boekje wordt hierin nader uitleg gegeven over de gebruiken van die tijd aan het hof, de functies van de koninklijke dames en de godsdienstige kwesties die destijds een rol speelden. Hierna volgen de tien persoonlijke portretten van de vrouwelijke regeerders. Toch bekruipt je het gevoel dat de intro en het Vooraf best samen hadden kunnen gaan in een langer voorwoord. Het voelt een beetje onhandig. Dat zegt tegelijkertijd iets over het gevoel tijdens lezing van dit boekje. Het leest niet prettig, de taal stokt. Het is dan ook geen smeuig verhaal maar eerder een opsomming van droge en minder droge feiten. In tien kleine portretten trekken de keizerinnen aan het geoefende lezersoog voorbij.

De auteur heeft veel gevoel voor historie maar weet dit niet voldoende over te brengen op de lezer. Dit boekje spreekt geen groot publiek aan. Het is taaie kost. Voor de echte historici zal dit boekje een aardigheidje zijn, misschien zelfs onderwerp voor nader onderzoek. De schrijver geeft nog wel spraakmakende titels mee aan de tiental portretten, zoals: de slecht befaamde Theophano, de hoogbegaafde Anna Komnena, de veelbesproken Theodora.

Een saillant detail uit het Vooraf laat zien dat sommige zaken echt van alle tijden en plaatsen zijn: ‘(…) en de zesde-eeuwse geschiedschrijver Prokopius (…) geeft ons nadere bijzonderheden over de hooligans. Hij vertelt hoe de fanatieke aanhangers hun baard en snor lieten staan en hun hoofdhaar van voren afschoren, terwijl ze het aan de achterkant onverzorgd lieten groeien. Zij hulden zich in gewaden met wijde pofmouwen die eigenlijk te opzichtig voor hun stand waren. (…)’ Tja, behalve de overeenkomsten zijn de verschillen met vandaag opzienbarend… en humoristisch!

Eerder geplaatst op www.hebban.nl

Spoelstra, Bert | Een maandag in augustus

een maandagEen who-dunnit. Maar dan echt gebeurd. Bert Spoelstra (1953), oud-rechercheur van de Limburgse politie, heeft een diepgravend onderzoek ingesteld naar de liquidatie van een beruchte WA-man en Landwachter in de Tweede Wereldoorlog, Math Raeven. Aan het begin van zijn onderzoek stelt de auteur typische recherchevragen waarop hij antwoord probeert te vinden. Het is hem gelukt. In iets meer dan honderd bladzijden beschrijft hij achtereenvolgens: het slachtoffer, het motief, de dader, de liquidatie en het wapen. Spoelstra heeft vele oog- en oorlogsgetuigen gesproken, nabestaanden van zowel dader als slachtoffer en hij baseert zich op verschillende bronnen. Achterin het boekje vindt de lezer een overzicht van geraadpleegde literatuur.

Een maandag in augustus doet bij vlagen denken aan het boek van Jan Brokken, De vergelding. Ook daar gaat het om een liquidatie (en vermeende sabotage) in oorlogstijd. Ook hij doet onderzoek naar de toedracht, naar het waarom van een dergelijke daad. Bert Spoelstra’s kracht ligt in het feit dat hij noch de dader noch het slachtoffer veroordeelt. Hij probeert objectief zijn weg te zoeken in het woud van vragen. Gestaag en gepassioneerd, zoekt Spoelstra naar de zo broodnodige antwoorden. Niet alleen de feitelijke antwoorden zijn interessant, ook de zoektocht ernaar. De schrijver laat de lezer als het ware over zijn schouder meekijken in zijn queeste naar de uiteindelijke antwoorden, die op hun beurt soms ook weer vragen oproepen: ‘De ene mens doodt de ander. Waarom? Wat is er op dat moment in ze omgegaan? Hoe kom je tot zo’n daad? Dat zijn vragen die me soms bezighouden.’ Ziehier hoe het werk van een ervaren rechercheur in elkaar steekt.

Wanneer Spoelstra door een burn-out thuis komt te zitten en hij in het boek Recht op Wraak (Jack Kooistra en Albert Oosthoek) de naam Raeven (opnieuw) tegenkomt, stort hij zich definitief op de ‘cold case’ uit het verleden: ‘(…) Op de Dr. Schaepmanstraat stond groenteman Raeven op zijn wagen aardappelen af te wegen toen de langsfietsende KP’er Petrus G.J. Janssen met vier schoten in de rug een eind aan zijn leven maakte. Een kapelaan was getuige van de liquidatie en begeleidde het dode lichaam naar het plaatselijke ziekenhuis.’ Dit citaat triggert Spoelstra zo, dat hij tegen zijn vrouw zegt zich te zullen verdiepen in deze zaak: ‘Ik ben rechercheur, beschouw het maar als een soort cold case waaraan ik ga werken.’

Een maandag in augustus is een boeiend geschreven documentaire die zich laat lezen als een detective. Ondanks dat je de dader en het slachtoffer in feite kent, wil je weten hoe en wat deze mensen bezielde. Hoe kwam het zover? In de nabeschouwing plaatst de auteur de historische gebeurtenis in een actuele setting en vraagt hij zich af: Wat als…? Ook heeft hij harde kritiek op een land als Israel, de persoon Wilders (die hij bewust niet met name wil noemen) en op het ‘gedonder’ in Oekraine: ‘Een ding weet ik wel: sommige dingen lijken zich te herhalen…’

Je kunt je sterk afvragen wat de toegevoegde waarde is van een dergelijke nabeschouwing. De schrijver laat zich gaan en geeft de lezer sterk het gevoel echt boos te zijn. Een dermate subjectieve beschouwing doet afbreuk aan het eigenlijke, goed gedocumenteerde verhaal.

 Eerder verschenen op www.Hebban.nl

Almond, Philip C. | De Duivel

duivel3De strijd tussen goed en kwaad is voor veel auteurs een belangrijk thema in hun boeken. Die strijd kan er enkel en alleen zijn wanneer het ultieme goede en het ultieme kwade bestaan, voortleven in de wereld en in ons: God en de duivel. Emeritus hoogleraar Religie (universiteit van Queensland, Australie) heeft de ‘strijdbijl’ opgepakt en zich gewaagd aan het schrijven van een biografie over het kwaad zelf: de duivel.

Tweeduizend jaar lang kon het verhaal van de mens niet worden verteld los van zijn bestaan. De strijd tussen goed en kwaad was de weerspiegeling van een kosmische strijd tussen God en Satan. De weerslag van die strijd vinden we in het knap geschreven en boeiende verhaal van Almond.

In de proloog zet de schrijver in met een fragment uit The Exorcist (1973). Hiermee toont hij aan hoe de duivel zijn herintrede deed in de westerse 20e eeuw. Hernieuwde aandacht voor de duivel in literatuur, muziek, film en televisie. Deze aandacht is er tot op de dag van vandaag. In veel films, muziek en boeken zien we expliciet dan wel impliciet de boze, het kwade de strijd aanbinden met de mens of met God zelf. In de laatste jaren zien we die aandacht voor het kwaad heel duidelijk bij de verfilmingen van Harry Potter en The Lord of the rings. Gelukkig zegeviert het goede nog altijd over het kwaad…

Hierna neemt de auteur de lezer mee op een boeiende reis door de tijd. In het eerste hoofdstuk laat Almond zien waar de duivel vandaan komt, zijn geboorte. In het volgende hoofdstuk analyseert hij de constructie van het christelijke verhaal over de duivel in de eerste vijf eeuwen van het christendom en de oorsprong van de demonische paradox. Vanaf hoofdstuk 4 belandt de lezer in de elfde eeuw; de opkomst van de magie in het westen. Hoofdstuk 6 laat zien hoe de hekserij ontstond en hoe hevig de heksenjacht was. Het boek eindigt met hoofdstuk 9: de ‘dood’ van de duivel. De schrijver toont aan hoe het westerse, elitaire denken ervoor zorgde dat velen de duivel voor dood verklaarden. Halverwege de achttiende eeuw waren de intellectuele omstandigheden dusdanig gewijzigd dat er zowel bij religieuzen als niet-religieuzen ruimte kwam om het niet-bestaan van de duivel te overwegen.

De auteur maakt in zijn boek gebruik van vele joodse en niet-joodse bronnen en baseert zich op tal van bijbelse en buiten-bijbelse teksten. De grote deskundigheid van Almond zorgt voor een degelijk standaardwerk. De lezer is vooraf gewaarschuwd: Houd je hoofd er goed bij. Gemakkelijk is dit werk niet! Er wordt een groot beroep gedaan op de woordenschat van de lezer, Almond strooit graag (zoals een hoogleraar betaamt) met moeilijke woorden en fraaie volzinnen. Het boek kent prachtige foto’s van kunstwerken waar de duivel op staat afgebeeld in diverse verschijningsvormen. Deze kunstwerken vormen de rode draad in het boek. Almond besluit zijn boek als volgt: “Ik hoop dat deze nieuwe biografie van de duivel hem enigszins terug mag brengen op de centrale plaats die hij in de westerse intellectuele geschiedenis heeft gehad gedurende het grootste deel van de afgelopen tweeduizend jaar en dat zij mag bijdragen aan de erkenning van de centrale rol die hij speelde en nog altijd speelt in de geschiedenis van ons allen.”

Eerder verschenen op www.Hebban.nl