Tom S. van Bemmelen | 150 Palestijnse fabels

Het conflict tussen de Arabieren en Israël krijgt veel aandacht. Ook in Nederlandse media is dit het geval. Het boek 150 Palestijnse fabels gaat in op de beeldvorming die ontstaan is door berichtgeving en betiteld 150 onderwerpen als Palestijnse fabels. Veel van deze fabels domineren de publieke opinie. Op een scherpe wijze verwijst Tom S. van Bemmelen dit naar het rijk der fabelen.

Het boek spreekt over de bezetting van Gaza, over complottheorieën, over de Gaza blokkade, over Hamas, over de Islam, over het lijden van de Palestijnen, over het Palestijnse volk, over de VN, over het watertekort en nog 141 onderwerpen.

Dat de auteurs een zeer scherpe pen hebben blijkt wel wanneer men schrijft over de Palestijnse fabel die zegt dat er vrede in het Midden – Oosten komt wanneer het Arabisch- Israëlische conflict zou zijn opgelost.

“De grote problemen, zoals onderdrukkende regimes, ontbreken van mensenrechten, strijd tussen soennieten en sjiieten, moslimfundamentalisme, Jihadisme, onderdrukking van minderheden en vrouwen, zwak onderwijs, zwakke economische structuur enzovoort, hebben niets of weinig met de wereld buiten het Midden-Oosten te maken. (…) Er werden dus circa 250 keer meer moslims gedood door islamitisch geweld dan in het conflict met Israël. Dat brengt ons bij het belangrijkste punt bij deze fabel: je moet wel heel blind zijn om nu nog niet in te zien dat het de islamitische haat en moordzucht tegen mensen van een ander geloof is die het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika kapot maakt.”

Met zo’n scherpe pen zijn de meeste onderwerpen beschreven.

De 150 onderwerpen zijn op alfabetische volgorde in het boek gedrukt. Op deze wijze is het boek eenvoudig als naslagwerk te gebruiken. Verder zijn de teksten vrij kort en duidelijk beschreven. Bij ieder hoofdstuk worden afbeeldingen of citaten geplaatst die de lezer zelf kan controleren.

In de inleiding legt de auteur uit dat het boek beter leesbaar is omdat voetnoten niet zijn toegevoegd. Dat is jammer, het bemoeilijkt namelijk het controleren van de tekst. Hoewel na enig zoeken de citaten inderdaad op internet te vinden zijn.

De auteur is een militair en politiek geschoold man. Hij was tot 1973 officier bij de Marineluchtvaartdienst en werkte tot 1980 op het ministerie van Defensie. Tegelijkertijd was hij lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en later lid van de Eerste Kamer voor de VVD. Sinds 2002 is hij voorzitter van de Nederlandse tak van de Israëlische Likoedpartij. De vereniging houdt zich bezig met informatievoorziening over en lobbyt voor de Israëlische zaak.

Het doel van dit boek is om een beter begrip te krijgen van het conflict tussen de Arabieren en Israël. Samen met Likoed Nederland en een aantal andere auteurs, wiens namen niet bekend zijn gemaakt om hun veiligheid niet in gevaar te brengen, is Van Bemmelen daar zeker in geslaagd, hoewel sommigen dit zullen wegzetten als propaganda.

Toorenaar, Jaap | Mijn vader zei altijd

Jaap Toorenaar schreef, in samenwerking met het Genootschap Onze Taal, de opvolger van Mijn moeder zei altijd. Het is een keurig verzorgd boekje geworden met heerlijke gezegdes en uitspraken die een lach en een traan oproepen, die herkenbaar zijn of volstrekt onbekend zijn, maar die je wilt gaan bezigen in de toekomst.

Mijn vader zei altijd bevat vele spreuken, gezegdes, intieme spreekwoorden en prachtige uitspraken over tal van onderwerpen: maaltijden, mannen en vrouwen, armoede en rijkdom, levenslessen, alsook items die schuren, op het randje zijn, zoals de categorie Niet bestemd voor kleine kinderen en De dood.

Toorenaar heeft bij het schrijven en samenstellen van dit boekje hulp gehad van honderden mensen die hun uitspraken instuurden na een geplaatste oproep in het taalblad Onze Taal. Ook wijdde dit tijdschrift enkele artikelen aan de mooiste uitspraken van ouders en grootouders. Toorenaar (Wilhelminadorp, 1954) is relatief onbekend, maar is een stuk bekender vanwege diverse reclameslogans die hij heeft bedacht, waaronder: ‘Calvé pindakaas. Wie is er niet groot mee geworden?’ en ‘Een beter milieu begint bij jezelf.’ Behalve met non-fictie hield hij zich ook bezig met het schrijven van en kinderboek: De jongen met de tien gezichten.

Uiteraard mogen in deze recensie enkele interessante uitspraken van ouders en grootouders niet ontbreken:

Als iemand in z’n neus peuterde, klonk het bij ons: ‘Je probeert zeker binnendoor een vuiltje uit je oog te halen.’

‘Gezondheid is niet alles, maar zonder gezondheid is alles niets.’

‘Opvoeden is jezelf overbodig maken.’

‘Familie is als medicijnen. Je moet ze doseren.’

Ook religie komt hier en daar aan bod, de ene keer ironisch, de ander keer serieuzer. ‘Wie moppert op het weer, die moppert op de Heer.’

Jaap Toorenaar heeft met Mijn vader zei altijd een boek geschreven/samengesteld dat uitnodigt tot lezen en herlezen. Leuk om in vakantietijd tot je te nemen.

 

Oord van den, Steffie | Honkvast

Steffie van den Oord, schrijfster en journaliste, brengt in haar nieuwste boek Honkvast een boeiend thema ter sprake: zeer oude mensen. Hoogbejaarden die je niet moet ‘verpotten’. Bijna hun leven lang wonen ze op de plek waar ze zijn opgegroeid. Van den Oord zocht en vond.

Met 15 hoogbejaarden heeft ze een interview. Dat levert voor Honkvast spraakmakende, ontroerende en soms grappige verhalen op. Elk interview wordt voorafgegaan door een quote uit het interview. Een motto uit het leven gegrepen. Het levensverhaal van Mia Lukkezen – Mom is ontroerend: ‘Elke zomer stonden die grafjes in bloei. Drie zusjes en een broertje. Ik tuinierde dus al vroeg.’

Het geloof speelt in sommige levens geen rol van betekenis. Het komt wel ter sprake. Mia vertelt over de dood van haar man: ‘Schrikken deed ik niet; we gaan toch, wist ik als kind al. Allemaal. Hij heeft geen doodsstrijd gehad. Dat vind ik zo nutteloos, die verlies je uiteindelijk toch.’ Met veel gevoel voor de mensen die ze interviewt, integer ook, beschrijft en vertelt Van den Oord de taal van haar ‘personages’, de soms oude riten of gebruiken, maar ook de literaire veelzijdigheid die bepaalde mensen in haar boek ten toon spreiden: zo verzamelt de een misdaadromans (enkel Agatha Christie), de ander citeert Multatuli: ‘Ik weet niet of wij zijn geschapen met een doel, of maar bij toeval daar zijn. Ook niet of een God of goden zich vermaken met ons leed… Als dit zo was, zou het vreselijk zijn.’  Met dit citaat geeft de geïnterviewde gelijk haar levensvisie mee.

Honkvast is een prettig boek, dat vlot leest. Het roept herinneringen op aan vroeger tijd. Je proeft de sfeer, ruikt de geur van het platteland, ervaart de weidsheid van het landschap rondom de bejaarde mensen. Met enige weemoed lees je de verhalen van oude huizen en de mensen die blijven. Het zeer persoonlijke levensverhaal van Stientje Kramer-Brands uit Urk is er een van intense schoonheid, puur en diep verdrietig. Onno Jan Hazekamp, een van de bejaarden, geeft nog een laatste levenswijsheid mee: ‘Geniet van het leven, had ik gelezen in de Bijbel, ook als je oud bent.’

Goossens, Johan | Jongens, ik wil nu toch echt beginnen

Johan Goossens heeft een heerlijk, ontspannen boekje geschreven met columns over zaken die hem uit het hart gegrepen zijn. Goossens is schrijver en cabaretier. Daarnaast heeft hij ook nog tijd voor de klas te staan op een ROC ergens in de Randstad. Een veelzijdig type dus. Met de bundel Jongens, ik wil nu toch echt beginnen toont hij je een kijkje in zijn hoofd, in de keuken van het lesgeven aan een ROC en wil hij laten zien dat een beetje gay oké is.

De cover toont een heerlijke titel, die voor docenten in het VO en het MBO ongetwijfeld meer dan bekend in de oren zal klinken. Het bekende papieren vliegtuigje dat in het klaslokaal circuleert en meestentijds over het hoofd van de docent scheert, zal niet minder bekend voorkomen. Johan Goossens zet met deze ‘schrikbarende’ titel gelijk alles op scherp. En je gaat als lezer er maar eens goed voor zitten.

De eerste column getiteld ‘Centraal station’ vertelt het verhaal van Samira, een leerlinge die de hele dag door Allah-poëzie schrijft en hem verheerlijkt. Ze zet middenin de nacht op Facebook een berichtje voor Johan dat hij morgen vooral niet moet komen op het Centraal Station. ‘Ik waarschuw u, omdat u mijn leraar bent’. Johan appt gelijk een collega, half twee ’s nachts ( en uiteraard nog wakker). Wat te doen? Een heftig onderwerp, dat ( en daarvoor is het een column en moet het vooral lichtvoetig blijven) met een heerlijke anti-climax eindigt.

In een andere column, getiteld ‘Diploma-uitreiking’, beschrijft Johan Goossens op hilarische wijze een gesprek onder docenten na afloop van de diploma-uitreiking. Uiteraard ‘met een biertje, een wijntje en gemopper.’  Elk jaar weer duurt de diploma-uitreiking veel te lang. Maar, zo eindigt Johan: ‘En hoe zelfbewust mijn collega’s ook zijn over hun met pijn en moeite gefiguurzaagde teksten, de leerlingen zie je glunderen als ze toegesproken worden. Het kan hun niet lang genoeg duren.’

Johan Goossens is erg goed in het kort en krachtig, trefzeker neerzetten van personen die hij in binnen- en buitenland tegenkomt. Ik moet eerlijk zeggen dat ik zijn columns over en vanuit het onderwijs het leukst en best vind. Dat zal zeker te maken hebben met het feit dat het zo herkenbaar is. Daarom is het boekje sfeervol en echt leuk om te lezen voor mensen die werkzaam zijn in het onderwijs. De zaken vanuit zijn privéleven, hij is bijvoorbeeld zelf homo, raken me niet en zijn qua woordkeuze en leefwereld zeker niet de mijne.

 

 

 

 

Korpershoek, Maria | Vlinders in de kerk

Jarenlang maakten Maria Korpershoek en haar man deel uit van een kerkelijke gemeente in Rijssen. Wanneer Maria een burn-out krijgt en op zoek gaat naar de bron ervan, ontdekt ze dat veel spanningen te herleiden zijn tot zaken die spelen en speelden in haar kerkelijke gemeente. Perfectionist als ze was deed ze alles in en buiten de gemeente met veel inzet. Totdat… ze instort. Haar man Gert-Jan en zijzelf  bezochten interkerkelijke initiatieven, bijbelstudies, bijeenkomsten. Hun kerkelijke gemeente vond dat niet juist. De school waar Maria juf was en de kerk waartoe ze behoorde, maakte zich ernstig zorgen over het feit dat ze dergelijke bijeenkomsten bezocht. Ze stelt hierover vragen. Wat is er mis mee dan? Zolang die hervormden en evangelischen Bijbelse dingen geloofden en zeiden, was het toch goed? Je moet toch alles onderzoeken en het goede behouden?

Haar zoektocht naar de antwoorden resulteert in het boek: Vlinders in de kerk, uitgegeven bij de christelijke uitgever Novapres. Een veelkleurig verhaal en dito vormgegeven boek. Haar verhaal is herkenbaar. Haar verhaal is persoonlijk. Je mag er ook anders naar kijken, ze legt je haar mening nergens op. Ik vind het moedig, dapper en goed dat Maria Korpershoek haar verhaal zo verwoordt. Het is een bemoedigend boek geworden, zonder dat ze neerkijkt op of een sneer geeft naar haar kerkelijke gemeente, waar ze inmiddels geen deel meer van uitmaakt. En dat is ook wel begrijpelijk, gezien haar verhaal, haar bevindingen.

Uitgangspunt voor haar boek is een schitterend symbolische collage die ze maakte tijdens haar herstel van de burn-out. Stap voor stap, stuk voor stuk, licht ze aan de hand van die collage haar verhaal toe en deelt ze haar hoofdstukken in. Elk detail van haar collage heeft een betekenis en bevat een gedachte die wordt onderbouwd vanuit de Bijbel. Aan het eind van het boek zet ze alle details nog eens op een rij en geeft ze tal van studievragen voor een verdere en diepere doordenking van haar verhaal.

Maria Korpershoek zegt in haar voorwoord: ‘Hoewel bepaalde gedeelten pijnlijk kunnen zijn voor sommige lezers, is het mijn verlangen dat dit boek zal bijdragen aan de opbouw en eenheid van het lichaam van Christus. Het is ook mijn gebed dat gebroken mensen door hun vertrouwen op de Heere Jezus en het kennen van Hem tot genezing en volle vrijheid in Christus zullen komen.’

Confronterend en spiegelend is Maria Korpershoek geregeld. Confronterend in de zin van positief-kritisch, schoppen doet ze nergens. Want hoe je het ook wendt of keert, ze heeft haar roots lief, haar kerk van oudsher lief, maar wanneer hoofdzaken bijzaken worden en v.v. dan kan ze best fel en pittig zijn. Met name dat grote groepen reformatorische mensen Jezus niet durven aanvaarden als het allergrootste geschenk dat je wordt aangeboden, de vraag of men wel uitverkoren is, de vrees voor de kerkleiders, licht haar na aan het hart. Bewogen spreekt ze dan ook deze doelgroep aan.

Ook Korpershoeks eerste avondmaalsgang komt uitgebreid voorbij. Alle worstelingen over wel of niet aan mogen gaan worden verteld. Ook de manier waarop er door anderen wordt gekeken naar avondmaalgangers is schrijnend. Korpershoek laat zien dat menselijke woorden en hun theologie zijn gaan heersen over de Bijbel: ‘De Bijbel wordt een boek met  honderden addertjes onder het gras. (…) Nu wordt in reformatorische kerken gewaarschuwd tegen het zelf lezen en onderzoeken van de Bijbel!’

Maria Korpershoek besluit haar boek met een deel over de gemeente. Hoe kunnen we een voorbeeld nemen aan de eerste christelijke gemeente zoals die beschreven wordt in Handelingen 2? ‘De eerste christenen leefden in liefde, eenheid en verbondenheid samen. De gemeente groeide en er werden dagelijks nieuwe mensen toegevoegd. Misschien behoren wij bij de laatste christenen. Dat is niet ondenkbaar. Hoe zal de Heere Jezus ons straks als Zijn bruid vinden?’

Al met al een boek dat beklijft. Een boek dat uitnodigt tot kerkelijke en persoonlijke reflectie.

Kooten, van M. | Het wonder van het Westland

Voor me ligt Het wonder van het Westland. Een degelijk, keurig verzorgd en prettig leesbaar boek over een zeer populaire dominee van vroeger tijd: ds. Jac. van Dijk (1913 – 1984). Uitgeverij De Banier uit Apeldoorn heeft er, zoals bij veel andere boeken die ze uitgeven, een fraai boek van gemaakt. De inhoud zelf komt van een andere markante persoonlijkheid binnen de kring van bevindelijk-gelovigen, ds. M. van Kooten (Elspeet).

In Het wonder van het Westland lezen we in de inleiding: ‘Er zijn trouwens ook allerlei hardnekkige misverstanden die over hem een eigen leven gingen leiden. Het wordt tijd dat die rechtgezet worden.’ Zo gingen de geruchten dat Jac. van Dijk een broer zou zijn van een bekende acteur in de vorige eeuw: Ko van Dijk. Een bekende persoonlijkheid die meewerkte en meeschreef aan tal van films en hoorspelen. Het bleek en bleef een hardnekkig gerucht. Jac. van Dijk zelf zei hier vaak op dat hij ook een toneelspeler was. Hij kon goed mensen nadoen, imiteren. Van ‘Malle Pietje’ tot bekende predikanten uit die tijd. Door zijn grappen, talige spitsvondigheden en meer stond hij ook wel bekend als de ‘Wim Kan van de kansel’.

In 15 boeiende hoofdstukken geeft Van Kooten helder weer, in chronologische volgorde, Van Dijks jeugd, zijn studiejaren, zijn omkering naar God, de verschillende gemeentes waarin de dominee heeft gestaan, zoals Monster, Garderen en Nijkerk, zijn politieke visie en zijn staan in die politiek, zijn werk als godsdienstleraar op een christelijke school in Den Haag en tot slot staat Van Kooten stil bij de laatste jaren en het sterven van dominee Jac. van Dijk.

De bekende schrijver Rik Valkenburg vroeg ooit eens aan Van Dijk of het geen verloochening was van het ambt om de overstap te maken naar het onderwijs.  Hierop sprak Van Dijk: ‘Ik zag het als mijn roeping de jonge mensen dagelijks in aanraking te brengen met de Bijbel in zijn geheel. (…) Ik vroeg vanmorgen nog aan een jongen uit ‘s- Gravenzande hoe Elia (een Bijbelse profeet, red.) bij de beek Krith aan brood was gekomen. Hij antwoordde: Dat bracht de bakker en die zei dat het van God was.’

Vele herinneringen aan Van Dijk en vele bijzondere en soms ook grappige belevenissen worden aan de lezer opgediend. Ook zijn vriendschap met de erudiete, gerenommeerde dichter Gerrit Achterberg komt aan bod. Zo zit het boek vol met prachtige doorkijkjes, mooie vergezichten en lezenswaardige anekdotes.

Het wonder van het Westland is uiteindelijk een bewogen levensgeschiedenis geworden. Een boek over een man met grote diepten en duidelijke hoogten. Een boek over een man die aan depressies leed en die met tranen kon zeggen dat hij zijn houvast had in God.

Voor de liefhebber van literatuur, tot slot, nog een treffend gegeven. Van Dijk bepleitte dat dominees meer moderne literatuur tot zich zouden moeten nemen. Van Dijk citeert professor Van Ruler: ‘Ik zou wensen dat de dominees wat meer oude schrijvers gingen lezen. Zij zouden dan de moderne dichters ook beter verstaan.’

Waling, Geerten | Zetelroof

Geerten Waling - ZetelroofIn zijn nieuwste boek schrijft Geerten Waling over een veelbesproken onderwerp, zetelroof. De in 2016 gepromoveerde historicus schrijft een reflectie op het huidige kiesstelsel van Nederland. Hij doet dit vanuit het fenomeen ‘zetelroof’.

Zetelroof heeft bij veel mensen een negatieve connotatie, wellicht veroorzaakt door de media. In de inleiding stelt Waling direct zijn twijfels bij deze beeldvorming: “Laten we de beeldspraak eens omdraaien: het is niet het Kamerlid dat een zetel rooft, maar het is de politieke partij die zich hier bij voortduring aan schuldig maakt”. Is zetelroof een bug (systeemfout) of een fix (systeemherstel), is dan ook de hoofdvraag van dit boek.
In het eerste deel van het boek beschrijft Waling de opkomst van politieke partijen. Met heldere zinnen en passende voorbeelden beschrijft hij onze parlementaire geschiedenis, met als rode draad het fenomeen ‘zetelroof’.

Het tweede deel beschrijft de geschiedenis van 100 jaar zetelroof. Waling neemt tien ‘zetelrovers’ tussen 1917 en 2017 onder de loep. Parlementariërs als Henri van Groenendael, de Groep Gortzak, Tunahan Kuzu, Jacques Monasch en natuurlijk de meest succesvolle ‘zetelrover’ van de afgelopen eeuw, Geert Wilders, passeren de revue. Naast het beschrijven van de maatschappelijke context heeft Waling ook oog voor de persoonlijke motieven van ‘zetelrovers’. Ook schrijft hij over de houding van de betrokken politieke partijen. Door deze combinatie is de politieke situatie voelbaar.

Het derde deel bevat allerlei feitelijke informatie rondom zetelroof, zoals een lijst met alle zetelrovers sinds 1917 en natuurlijk de literatuurlijst. Hierdoor worden veel gegevens controleerbaar en getuigt dit alles van een gedegen onderzoek, zoals we mogen verwachten van Geerten Waling.

Met Zetelroof heeft de lezer een uitstekend boek in handen. Lezers die een antwoord zoeken op de vraag of zetelroof een probleem of veiligheidsklep is, zullen het vinden in dit boek. Tegelijkertijd biedt het een prachtige inkijk in de dagelijkse praktijk van 100 jaar Nederlands Parlement. Door de prettige manier van formuleren, de heldere verhaallijn en goed gekozen voorbeelden leest dit boek prettig weg.

Met Zetelroof heeft Geerten Waling een door beeldvorming vertroebeld fenomeen van glans voorzien. Chapeau!

Mackay, dr. Ewald | Een leeskamer in het Grote Huis

Een leeskamer in het Grote Huis | Dr. Ewald MackayIn dit boek van dr. Ewald Mackay wordt de christelijke kerk voorgesteld als het Grote Huis. In het Grote Huis bevindt zich een enorme leeskamer. In deze leeskamer komt de lezer in aanraking met verschillende teksten en personen uit de geschiedenis van de christelijke kerk.

Ewald Mackay is historicus en filosoof. Vanuit een grote voorliefde voor de rijke christelijke literaire traditie heeft Ewald Mackay dit boek geschreven. In deze handreiking schrijft hij dat lezen vreugde oplevert en dat men zich moet verdiepen in de geschreven historie van de christelijke kerk om die te begrijpen. Zijn liefde voor lezen en de christelijke traditie is op iedere bladzijde te proeven. Het is typisch Mackay als hij, kijkend naar zijn eigen boekenkast, zijn gedachten beschrijft. Hij schrijft: “Achter al de ruggen en kaften gaan werelden schuil van schrijvers en denkers, schilders en componisten. Velen van hen leven niet meer, maar hun stemmen spreken nog altijd door middel van hun boeken, schilderijen en composities. Het is alsof ik mag aanzitten aan een groot gastmaal en al deze mensen mag ontmoeten.”

De lezer wordt direct meegenomen naar de leeskamer. In de leeskamer van het Grote Huis zijn verschillende afdelingen. Elke afdeling staat voor een periode in de rijke literaire geschiedenis van de christelijke kerk. De lezer kruipt door de geschiedenis van de Vroege Kerk (deel II), via de middeleeuwse kerk (deel III) naar de kerk van de (Nadere) Reformatie (deel IV) tot de kerk in de (post)moderne tijd (deel V). Per afdeling lezen we kernfragmenten van 6 á 7 personen. Van iedere persoon wordt een korte levensbeschrijving gegeven. Het leven van deze persoon wordt naast de wereldgeschiedenis gelegd. Het is daardoor volstrekt duidelijk in welke tijd de lezer elk besproken geschrift moet plaatsen. Na ieder fragment volgen er een aantal vragen waardoor de lezer de teksten beter gaat begrijpen, maar ook zetten de vragen de lezer aan tot nadenken over het eigen leven in deze moderne tijd.

Met dit boek wil de auteur een handreiking doen. Door de korte fragmenten wordt de lezer verleid om zich meer te verdiepen in de oude teksten. Op subtiele wijze weet Mackay deze oude fragmenten te verbinden met het heden door de lezer op te roepen om bij het lezen de actuele context mee te nemen. Door deze manier van schrijven, die heel kenmerkend is voor Mackay, is dit boek voor een ieder toegankelijk. De lezer wordt letterlijk meegezogen in de rijke geloofstraditie.
Doordat de schrijver niet wil dat de Nederlandse taal verarmt gebruikt hij met enige regelmaat licht archaïsch taalgebruik. Maar of de lezer nu ‘vertoeft’ of ‘verblijft’ in de leeskamer van het Grote Huis doet niets af aan de leesbaarheid van dit boek.

Deze handreiking laat de christelijke traditie zien, ervaren en begrijpen. Aan die doelstelling wordt ruimschoots voldaan.

Ridder, de, Gabi | Breng me thuis

Gabi de Ridder is getrouwd en moeder van twee kinderen. Ze heeft een voorliefde voor eigentijdse christelijke romans in een Nederlandse setting. Breng me thuis is haar eerste roman.

Verhaallijn

Na het overlijden van de vader van haar dochtertje lijk het Linda Boshoven goed om de ouders van haar overleden vriend in te lichten over het bestaan van Ellie. Ze heeft een heftige verleden met haar vriend Fabian. De geheimzinnige  gebeurtenissen rondom het overlijden van Fabian hebben ook consequenties voor haar leven, ze is haar eigen leven ook niet zeker. Linda wil niet dat haar dochtertje helemaal niemand meer heeft op het moment dat haar leven in gevaar is. De brief zorgt voor een flinke beroering in het leven van de familie Van Heiningen maar ook in het leven van Linda zelf. Linda maakt kennis met de tweelingbroer van Fabian. In het begin loopt dit contact met Christiaan, de tweelingbroer, en de ouders van Fabian erg stroef. Ze stellen haar verantwoordelijk voor het overlijden van Fabian. Linda komt er achter dat ze niet weten wat er echt gebeurt is en Fabian’s overlijden niet verwerkt hebben. Het voornemen om de blik richten op de toekomst blijkt een illusie want de komst van Linda en Ellie in het leven van de familie Van Heijningen zorgt ervoor dat het verleden zich opdringt. Temidden van dit alles komt Linda tot de verwarrende ontdekking dat ze gevoelens heeft voor de tweelingbroer van Fabian. Maar Christiaan is hier niet blij mee en lijkt niet van plan Linda haar fouten te vergeven, totdat er iets onverwachts gebeurt met Linda en Ellie.

Breng me thuis is een boek wat opgebouwd is in drie delen met elk een afzonderlijke titel. De auteur laat de spanning goed door het hele verhaal lopen doordat mysteries pas laat worden opgelost. Het verhaal heeft meerdere onverwachte wendingen met daar tussendoor knap geschreven flashbacks. De gelijkenis van de verloren zoon, waarin de oudste zoon niet bepaald vergevingsgezind is, komt in het boek steeds weer terug. De Ridder laat op een onverwachte manier de kracht van het christelijk geloof zien, dat niet alleen levens verandert, maar waardoor mensen zelfs hun leven geven voor dat van een ander. Breng met thuis is een goed verhaal over de kracht van vergeving. Ik ben van mening dat de Ridder met dit boek wel bewezen heeft dat ze schrijverstalent heeft en ben dan ook nieuwsgierig naar haar volgende romans.

Pechtold, Alexander | Optimist in de politiek

Pechtold for president! Tenminste… als het aan hemzelf ligt. Dat valt tussen de regels door wel te lezen in zijn persoonlijk relaas getiteld Optimist in de politiek. Alexander Pechtold vat zijn politieke visie samen met de leus op een verkiezingsposter uit 1922. Hierop staat een schip afgebeeld dat tussen twee extremen vaart: reactie en revolutie. Boven het zeilschip staat ‘Houdt koers!’ Dit zeilschip, het Schip van Staat, laveert tussen de beide rotsen.

 

‘(…) een persoonlijke leidraad: trouw blijven aan principes en idealen, ongeacht het politieke klimaat. Ideeën zijn er om de koers op te bepalen en niet om applaus mee te oogsten. Je niet laten verleiden om naar de flanken te hellen, maar een op vooruitgang gerichte route blijven varen en daarmee verantwoordelijkheid nemen en vertrouwen winnen.’

Pechtold, erudiet voorman van D66, bevlogen politicus en optimist, schetst in zijn boeiende boek de beweegredenen en opdrachten die hij voor de toekomst ziet. Zo ziet hij de taken voor zich om de tekortschietende democratie nieuw leven in te blazen, wil hij een nieuwe weg inslaan met Europa en wil hij (her)nieuw(d)e glans geven aan de idealen van sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen voor iedereen. Hij ziet die opdrachten als reactie op het toenemend pessimisme van onze tijd. Er heerst onvrede, onmacht. Hoewel het populisme mensen anders voorspiegelt, is er alle reden voor optimisme richting de toekomst en voor vertrouwen in de gevestigde politiek.

Het eerste hoofdstuk geeft ons een interessante kijk in de geschiedenis, de familiegeschiedenis van Alexander Pechtold. Niet-christelijke ouders die Alexander naar de protestants-christelijke school lieten gaan, waar hij vervolgens elke week trouw zijn psalmversje leerde, een omgeving zonder Sturm und Drang, een meer vrijzinnige opvoeding thuis en het indringende Indië-verleden van vader stempelden het leven van de (jonge) Pechtold. Zijn ouders hanteerden het motto: ‘Geen schuwe apen!’ Ze spoorden Alexander en broer Roland zo aan soms gewoon hun nek uit te steken, dingen te proberen, kansen te zien en… te pakken! Een van de meest invloedrijke personen voor Alexander was zijn (hoe kan het ook anders) docente Nederlands, Elly Groenenboom. Het was een vrouw die grote betrokkenheid toonde bij haar leerlingen. Zij zag dat Alexander de planken maar eens op moest, het toneel lonkte. Ook zij hanteerde ‘Geen schuwe apen!’ Hup, de planken op. Zo leerde Alexander de fijne kneepjes van het vak: spreken voor publiek. Over voorbestemming gesproken…

In een van de volgende hoofdstukken vertelt Pechtold dat, mocht het D66 niet lukken in het kabinet te komen in 2017, het wellicht tijd wordt voor een nieuw gezicht. Pechtold heeft zijn ‘schuwe aapje’ van zich afgegooid na 10 jaar oppositie voeren. Hij heeft grote ambities met Nederland. De beste plek om woorden om te zetten in daden is de regering. Hij legt de lat bewust hoog voor zichzelf. Hij stipt verder aan dat drie mensen voor hem een inspiratiebron vormen: zijn vader, Hans van Mierlo en Jan Wolkers. Hij beschouwt deze mensen als norm.

En Geert Wilders? De ‘eeuwige aartsrivaal’ van ‘mannetje’ Pechtold? Hij komt zeker aan bod:

 

‘Ik zal me blijven verzetten tegen het schreeuwerige taalgebruik van Geert Wilders, de politieke oplichter die nog nooit iets heeft waargemaakt van wat hij belooft. En tegen het steeds maar weer verleggen van morele grenzen van andere politici.’

De vergelijking met de jaren dertig van de vorige eeuw en de figuur van Wilders blijft Pechtold benoemen:

 

‘(…) ik ga niet mee in die nieuwe politieke correctheid dat ik het niet zou mogen doen. Dat je niet meer mag benoemen wat het is. Ik laat me de mond niet snoeren. Dan ga je op een hellend vlak. En is straks niets meer extreem.’

In Optimist in de politiek fileert en analyseert hij wat hem bezighoudt, wat hem bezielt, wat zijn verlangens zijn, waar hij voor gaat en staat. Pechtold heeft een prachtig, puik, politiek boek geschreven. Zijn trouwe, licht waterige hondenogen spatten van de cover af. Of zijn theorie praktijk wordt, weten we na 15 maart 2017.

Eerder geplaatst op: www.hebban.nl