Treur, Franca | Hoor nu mijn stem

 

Vanzelf ongelovig

Franca Treur - Hoor nu mijn stemWie ben ik? En mag ik zijn wie ik ben? Hoofdpersoon Gina – als meisje Ina – is in de roman Hoor nu mijn stem naarstig op zoek naar haar identiteit. Ze is een weesmeisje dat opgroeit bij haar tantes in Zeeland, in het reformatorische milieu zoals we dat uit Treurs eerdere roman Dorsvloer vol confetti kennen. Maar waar Katelijnes verhaal stopt voordat ze gaat puberen, gaat Gina’s verhaal daar verder.

Als presentator bij Radio 1 is Gina helemaal een vrouw van deze tijd. Ze vindt zichzelf succesvol, maar onder de oppervlakte woelt onzekerheid. Het lukt haar niet om het geluk te vinden in de liefde, in haar werk blijkt ze minder onmisbaar dan ze dacht en haar relatie met thuis is wankel. De reformatorische tantes hebben geen idee dat hun nichtje een ‘afvallige’ is geworden, ze weten zelfs niet dat Gina radiopresentator is en op een ietwat geforceerde manier doet Gina er alles aan om dat zo te houden. Tussendoor lees je het verhaal van Gina’s jeugd en de ontwikkeling die ze doormaakt. Enerzijds is er in haar een hunkering om een voorbeeldig meisje te zijn, geen naamchristen maar een uitverkoren kind van God. Anderzijds is er de hang naar het leven hier en nu, verlangt ze eigen keuzes te maken in plaats van ja te zeggen tegen opgelegde ‘waarheden’. In haar studententijd bereikt deze innerlijke strijd een climax als ze enerzijds belijdeniscatechisatie volgt en anderzijds colleges van een atheïstische professor.

Zo zat ze daar alleen op haar studentenkamer, huilend, biddend als een bezetene, en daarna obsessief door de Bijbel gaand op zoek naar teksten waardoor de Heere kon antwoorden, tot ze vroeg in de ochtend uitgeput in slaap viel.

En toen ze de volgende dag wakker werd, drong het tot haar door. De ontzaglijke waarheid: wat ze wilde, wilde ze niet écht. Ze zag het heel duidelijk voor zich, en schaamte spoelde over haar heen. Het was alsof haar voor het slapengaan een belofte was gedaan. Namelijk, dat zou uitkomen wat ze in haar dromen zou wensen. Haar allerliefste wens zou vervuld zijn bij het ontwaken. Maar ze had genoeg Freud gelezen om te weten dat wat je droomt niet datgene is wat je wenst als je wakker bent. In dromen komen onbewuste wensen naar boven, dat wat je écht wilt.

En wat ze écht wilde was een ander leven dan dat van tante Ma, met haar strenge prekenboeken en haar oogkleppen op. Onafgebroken in de nette kamer met haar Bijbel als het antwoord op alles en haar haar in een knot. Ze had altijd gevoeld dat dat het ware was. Van kinds af aan had ze het ook nagestreefd. Maar wat ze diep vanbinnen wilde, écht wilde, was: leven.

Het reformatorische milieu schildert Franca zwart-wit. Realistisch is de waarde die men hecht aan uiterlijke regels, de sociale druk van de gemeenschap, het niet-vanzelfsprekende een kind van God te zijn. Daartegenover staat dan het leven in ‘de wereld’, los van God en gebod. De scheiding tussen deze werelden is in het boek heel strikt, op het irrealistische af. Dit doet een beetje naïef aan. Alsof reformatorische mensen volstrekt wereldvreemd door het leven gaan. Zonder televisie, zonder radio, met zo min mogelijk contact met de buitenwereld. Exemplarisch is het fragment waarin Gina als kind buiten loopt en plotseling uit een tractor het weerbericht hoort. De stem van God, denkt ze, tot ze dezelfde stem de prijs van bananen hoort vertellen. De radio. Hoor nu mijn stem.

De zoektocht naar een eigen identiteit binnen een dominante subgroep is enerzijds herkenbaar voor mensen die uit het beschreven milieu afkomstig zijn, maar heeft tegelijk iets vermoeiends. Waar het meisje sympathie opwekt in haar onzekerheid, haar vragen omtrent geloof en het milieu waarin ze opgroeit, roept de volwassen Gina ook een lichte irritatie op. Want waarom hakt ze wel de knoop door om haar eigen weg te gaan, los van God en kerk, maar durft ze dit thuis niet aan tante Ma te vertellen? Omdat ze niet los genoeg is van haar achtergrond? Haar tante niet wil kwetsen? De schijn op wil houden? Hoe dan ook, Treur laat ermee zien dat het moeilijk is om jezelf een nieuwe identiteit aan te meten, anders dan degene die je vanuit je opvoeding meekrijgt. Toch maakt juist dit dat je na lezing van het boek een wat onbevredigd gevoel overhoudt. Waarom de confrontatie niet aangegaan? Dit had het verhaal mogelijk wat meer spanning en een extra dimensie kunnen geven.

Gerritsen, Esther | De trooster

‘Ik onderzocht mijzelf voor het eerst met een serieus praktische bedoeling. En daar trof ik ontstellende dingen aan: een dierentuin vol begeerten, een gekkenhuis vol ambities, een kleuterschool vol angsten, een harem vol gekoesterde haatgevoelens.’  Deze woorden van C.S. Lewis geeft Esther Gerritsen mee als motto aan De trooster. Een mens in zijn gebrokenheid, een mens op zoek naar heling, een trooster.

Jacob, conciërge in een kloostergemeenschap, een buitenbeentje in de ‘gewone wereld’ leren we kennen als een tevreden mens. ‘Ik was tevreden met mijn gebrekkige lichaam, dat brandt en slijt en toch volstaat, dat doet wat het moet doen. Ik verlangde niets.’ Hij, de buitenstaander, voelde Gods liefde  die de liefde van mensen verving  in zijn eenzaamheid.  Al schurend aan de deurposten wist hij zeker dat hij gelukkig was. Hij had niets (meer) te willen. Tot  het moment dat Henry Loman binnenkwam.

Deze simpele woorden brengen meteen spanning in het verhaal. Het behoort niet tot de taken van Jacob om de gasten die zich voor een retraite in het klooster terug willen trekken te ontvangen. Het loopt nu echter zo en deze ontmoeting zet het leven van Jacob op zijn kop. Lohman is niet de eerste de beste, de broeders in het klooster vinden het maar wat jammer dat deze staatssecretaris zich na de eerste ontvangst door Jacob steeds weer tot de conciërge wendt. Voor Jacob is het een nieuwe ervaring een vriendschap te ontwikkelen waarin lief, leed, tekortkomingen en schuld met elkaar gedeeld worden.

Uiteindelijk loopt het uit op een enorme teleurstelling: Jacob ervaart dat hij Lohman niet uit zijn zonden en falen kan verlossen en dat Lohman ten diepste die verlossing ook afwijst. Het Bijbelse  verhaal van Jezus’ lijden en opstanding loopt parallel aan de verhaallijn van Jacob en geeft de diepte die je als lezer zo graag ziet in een roman. Gerritsen blinkt uit in de wijze waarop ze in De trooster  haar personages weet neer te zetten, ze komen tot leven.  Ze worden de mensen uit het citaat van Lewis, mensen op zoek naar een trooster. Een trooster die de diepste wonden in een mensenleven balsemt of een trooster die een pleister plakt op de oppervlakkige wonden?

De trooster is een roman die het verdient om meer dan eens te worden gelezen, er valt veel in te beleven!

Verheijen, Sander | Ik kan er net niet bij

De ‘chef de mission’ van Hebban, de mooiste en grootste boekencommunity van Nederland, luisterend naar de naam Sander Verheijen, heeft een bijzonder boek geschreven: Ik kan er nét niet bij. Het is een boek dat overduidelijk geschreven moést worden. Een verhaal opgedragen aan Jip (nee, niet die van Janneke…), zijn vrouw, steun en toeverlaat in voor-en tegenspoed.

Het motto voorin het boek is ontleend aan een songtekst van Thomas Acda. Met name de woorden ‘Maar wat ik schrijf ben ik echt/ Zo kan ik een beetje van de wereld aan’ blijven haken in je gedachten. En dan moet je nog beginnen met het eigenlijke verhaal.

De proloog, kort en krachtig, vat de verschillende emoties die Sander ervaart, goed samen: ‘Ze zijn net vier geworden, onze jongens. Ze zouden nu naar school moeten gaan. een échte school dan. Dat is namelijk wat de bedoeling is. Dat is zoals het hoort. Als je gezonde kinderen krijgt. een wereld die ver verwijderd is van de onze.’ In de zomer van 2007 begint het verhaal. Tijdens de eerste date met Jip stelt ze doelgericht die ene vraag of Sander kinderen wil. Een roep om duidelijkheid. Zeker geen strikvraag. Wanneer Sander bevestigend antwoordt, wonen ze kort erop samen. Ze laten er geen gras over groeien.

In veel korte hoofdstukken, die zich laten lezen als columns, vertelt Sander Verheijen in Ik kan er nét niet bij openhartig en soms een tikkeltje brutaal ( oké, oké, met een knipoog) over zijn liefde voor Jip, het mentale en fysieke proces om samen kinderen te krijgen, de geboorte van zijn tweeling Willem en Maurits, de openbaring van een aangeboren hersenbeschadiging bij Willem, de ontdekking van autisme bij Maurits en niet te vergeten zijn onbegrensde liefde voor zijn trouwe viervoeter Gant. Doordat de hoofdstukken kort zijn en de schrijfstijl eenvoudig en soms ook heel beeldend is, ga je als een speer door het boek heen. Sander is een goede observator en schildert met verve dat wat hij meemaakt met zijn gezinnetje.

Heel sterk geschreven zijn de stukken waar de ogenschijnlijk stoere Sander Verheijen zijn verdriet deelt, zijn bezorgdheid uit over de toekomst van zijn kinderen. Hij laat zich keihard in zijn ziel kijken. Dat is krachtig, dat is de mannelijke man. Durf je emoties te uiten en laat je diep in je hart kijken. Toon wat je bezielt en bezighoudt, zo is Sander ook inspiratiebron voor anderen die ‘in hetzelfde schuitje zitten’. ‘Inmiddels weet ik dat verdriet gratis wordt meegeleverd bij de geboorte van een kind. Een verplichte optie, samen met geluk. En ze vechten om het hardst voor de meeste aandacht. Zo veranderen stoere kerels in softies. (…) Ook niet waar. Die stoere kerel ben ik nooit geweest.’

Laat ik openhartig zijn. Het laatste hoofdstuk van Ik kan er nét niet bij heb ik met een brok in mijn keel gelezen. Deze column is van een bijna verbluffende schoonheid. Het moment dat de beide broertjes voor het eerst uiten dat ze van elkaar houden, is zo mooi. Zo puur aan het papier toevertrouwd. Een ding blijft dan nog over: Er is altijd hoop, ondanks moeite, zorg, verdriet en pijn. De liefde overwint alles. Want die liefde zoekt zichzelf niet, maar is altijd gericht op de ander. Dat bewijst Jip. Dat bewijst Sander Verheijen.

Eyskens, Thomas | Toen met een lijst van nu errond

Uitgeverij De Arbeiderspers heeft een duidelijke, stevige band met dichter, essayist en journalist Herman de Coninck. Al het werk van deze literaire grootheid is bij hen uitgegeven. Zo ook de biografie Toen met een lijst van nu errond. In de serie Open Domein (nr. 53) verschijnt dit standaardwerk.  Dit lijvige werk, met leeslint, is geschreven door biograaf Thomas Eyskens (1976). Hij publiceerde in 2014 een literaire wandelgids door Mechelen, de geboorteplaats van Herman de Coninck. Dit werk vormde de opmaat naar zijn biografie over De Coninck.

Een bijna 600 pagina’s dik boek, vuistdik wel te verstaan, ligt op tafel. Hardcover, mooie, typische foto van de hoofdpersoon zelf, duidelijke titel met de naam van de dichter op de voorkant. Het is in een klap helder over wie we het hebben. Toch oogt de cover ietwat rommelig. Op de achterkant wordt poëet De Coninck aangeduid met de woorden ‘misschien wel de populairste dichter van de Lage Landen’. De man ‘die zijn volk poëzie leerde lezen’. Een citaat van de man zelf mag niet ontbreken: ‘Poëzie heeft niks met enige biografie te maken, maar er is een geraffineerd soort reactie tégen.’

Het boek is ingedeeld in verschillende hoofdstukken die elk een periode beschrijven uit het (literaire) leven van Herman de Coninck. Uiteraard begint het verhaal met zijn geboorte, zijn ouders, familie, zijn jeugdjaren. De liefde voor taal, het (geschreven) woord zit er al vroeg in. Herman smulde van de Arendsoogreeks en de Bob Eversboeken van Willy van der Heide. Hij schreef over Witte Veder ( de Indianenvriend van Arendsoog, red.)een gedicht:

‘Zoals Witte Veder zijn oor op de aarde kon leggen

en mededelen dat een bende bandieten in aantocht was,

zo luister ik aan taal om te weten welke betekenis

het straks weer in mijn gedicht voor het zeggen

 

zal hebben. […]’

 

Op zijn veertiende kreeg De Coninck een literaire openbaring.  Na lezing van de eerste regels van een novelle van Karel van de Woestijne wist hij dat dit nu literatuur was. De invloed van de leraren Nederlands die hij had in zijn jeugd, was erg groot. Voordragen, voorlezen en verhalen vertellen, de leraar Nederlands is tot op de dag van vandaag nog steeds van groot belang voor het aanboren van literair talent en het verkrijgen van liefde voor taal, het geschreven en ‘beleefde’ woord.

Achtereenvolgens komen de volgende thema’s langs in deze biografie: zijn vroege (jeugd)jaren, zijn studententijd, de eerste poëzieritselingen, zijn omgang met en liefde voor vrouwen ( een van de belangrijkere onderwerpen in zijn (zintuiglijke) poëzie), zijn journalistieke werk voor Humo, zijn literaire werk (uitgebreid komen gedichten aan bod) en tot slot zijn dood. Onverwacht stierf Herman in Lissabon aan een hartaanval tijdens een congres (1997).

Het is een zeer gedetailleerde, uitgebreide biografie geworden. Uitstekend gecomplementeerd door een bibliografie, register en notenapparaat. Uiteindelijk valt het alles niet te vatten in een recensie. Dit boek vraagt erom rustig en gedoseerd gelezen te worden.

Het heden leer je kennen door  te leren van je geschiedenis. Het heden kun je begrijpen door terug te kijken. Deze biografie met de boeiende titel Toen met een lijst van nu errond doet dit op een beeldige manier. Dat is de verdienste van Thomas Eyskens.

Eerder gepubliceerd op: www.hebban.nl

Krake, Frank | De laatste getuige

De laatste getuige is het intrigerende, zeer boeiende relaas van Wim Aloserij, 94 jaar oud, maar getuige zijn foto op de voor- en achterkant van het boek, jong van geest. Met een energieke uitstraling en felle, twinkelende ogen zwaait hij, als een laatste groet, naar de lezer. Opdat wij niet vergeten…

De cover van het boek liegt er niet  om: ‘de man die drie concentratiekampen en een grote scheepsramp overleefde’, zo luidt de ondertitel van dit prachtig vormgegeven boek van uitgeverij Achtbaan. Schrijver Frank Krake heeft in dit boek het levensverhaal opgetekend van Wim. Met oog voor detail en diepgang in het verhaal weet Krake de lezer vast te houden en te boeien tot de laatste minuut.

Een voorwoord van niemand minder dan Sybrand van Haersma Buma (fractievoorzitter van het CDA), ook al even ingrijpend als ingetogen neergeschreven, vormt het begin van een aangrijpende reis: ‘Het is een monument voor Wim Aloserij zelf, die de hel overleefde, en die het moedige besluit nam om meer dan zeventig jaar later zijn verhaal te vertellen.’

Het verhaal begint in 1932, de kennismaking met de vader van Wim. Wim groeit op in Amsterdam, op Kattenburg. Een dronken vader is zijn identificatiefiguur. In die persoonlijke hel ontwikkelt hij zich tot een jonge man die later juist door de confrontaties met zijn vader de andere hel weet te overleven. De verschillende tactieken die hij in zijn jeugd had aangeleerd om zijn vader het hoofd te kunnen bieden, zorgen er mede voor dat hij de hel van de oorlog weet te overleven. Ontsnappingen, onderduikperikelen en gevaarlijke situaties en omstandigheden wisselen elkaar af.

De laatste getuige heeft een bijzonder mooie vormgeving, schitterende en persoonlijke foto’s en ligt fijn in de hand, een duidelijk lettertype is ook heel prettig. Goed dat hier aandacht aan besteed is. De laatste getuige is een verhaal dat verteld moést worden, een verhaal dat niet vergeten mag worden, een verhaal dat nooit meer beleefd mag worden.

Ross, Tomas | Het verdriet van Wilhelmina

De titel Het verdriet van Wilhelmina bracht mij ertoe dit boek te lezen en te recenseren. Dat het om een thriller ging ontging me en zelfs de naam van de auteur Tomas Ross zei me weinig. Ik ben dan ook geen fervente thrillerlezer en eigenlijk verwachtte ik op grond van de titel meer een historische roman. Maar ik heb geen spijt van dit leesavontuur: historische feiten en een flinke dosis fantasie leverden samen een spannend boek op.

Het Verdriet van Wilhelmina is het derde deel van een trilogie over Arnie Springer, een Indiëganger en voormalig spion bij de Nederlandse veiligheidsdienst, maar laat zich uitstekend zelfstandig lezen.  Ik ben inmiddels wel nieuwsgierig geworden naar de eerste twee delen Van de doden niets dan goed en De onderkoning van Indië. Net als deze twee delen speelt ook Het verdriet van Wilhelmina zich af in de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog en in de periode waarin Nederlands Indië onafhankelijk wordt van Nederland.

Het boek begint echter met twee hoofdstukken waarin de voorgeschiedenis wordt verteld. Je wordt meegenomen naar het jaar 1941 waarin koningin Wilhelmina op haar landgoed bij Londen een ontmoeting heeft met Winston Churchill. Hij plaatst haar voor een heel moeilijke keuze, maar ze stemt uiteindelijk in met Churchills voorstel. In het volgende hoofdstuk lees je hoe in de Zuid-Chinese zee een schip wordt beschoten en met man en muis vergaat. Er blijkt echter een overlevende te zijn: korporaal John de Bruyn die vanuit zijn eigen Fokker onder vuur wordt genomen, maar meer dood dan levend aanspoelt op een eiland. Hij weet niet wie hij is, waar hij is en hoe hij daar terecht is gekomen maar wordt door de bewoners verzorgd en vindt er zijn geliefde.

Acht jaar later komt Arnie Springer in beeld als hij naar Indonesië gaat om op zoek te gaan naar zijn verdwenen ex-vriendin Anke de Bruyn, zus van John. En dan blijken allerlei lijntjes samen te komen: de verdwenen John, die nog in leven blijkt; de politieke situatie in Indonesië, de rol van de geheime diensten en uiteindelijk ook de deal die koningin Wilhelmina indertijd met Churchill heeft gesloten. Feit en fictie lopen door elkaar heen, het is dus opletten geblazen, maar je wordt meegezogen in een verhaal waarin verraad, (vaderlands)liefde, politieke intriges en chantage de spanning vasthouden.

Word ik nu een echte thrillerlezer? Dat zal de toekomst uitwijzen, maar dit onverwachte uitstapje naar een heel ander genre dan ik normaal lees is in ieder geval goed bevallen!  Ik ga in de bibliotheek binnenkort op zoek naar de eerste twee delen van deze trilogie. Dat heeft Ross dan maar mooi bereikt met zijn Het verdriet van Wilhelmina. Een minpunt vond ik het vrij grove taalgebruik, wat absoluut niet nodig was om het boek meer overtuigingskracht te geven.

Zweden, Aaltje van | Om wie je bent

‘We gaan steeds uit van Benjamins kracht, niet van zijn beperkingen. Zo komen we ook op het idee andere ouders te inspireren met onze ontdekkingen en ervaringen, en daarmee hebben we er een uitdaging bij.’

Aaltje van Zweden, vrouw van de wereldberoemde Nederlandse dirigent Jaap en liefhebbende moeder van zoon Benjamin, heeft een schitterende ode geschreven aan haar autistische zoon Benjamin. Maar het is meer dan dat. Het is ook haar verhaal, haar levensverhaal. Die persoonlijke geschiedenis, autobiografisch, zet ze in het heldere licht van het bewogen verhaal van Benjamin. Ogenschijnlijk losstaande gebeurtenissen hebben alles met elkaar te maken. Die verstrengeling van verhalen en gebeurtenissen maken dit boek helemaal af. Om wie je bent is gevoelvol, eerlijk en soms meedogenloos geschreven.

Om wie je bent lag al een tijdje op me te wachten. Eenmaal ter hand genomen hebbend, kon ik tot en met bladzijde 25 doorlezen, om het vervolgens even weg te leggen. Ik kon niet verder… Het verhaal kwam te dicht bij. Haar verhaal werd mijn verhaal, ons verhaal. Vol verbazing las ik passages voor aan mijn vrouw. Herkenning was het sleutelwoord. Dit is een van de redenen geweest van Aaltje om haar verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Zelf heeft ze het moeilijk gehad met de totstandkoming van het boek: ‘Want hoe doe je dat eigenlijk, een boek schrijven over je autistische zoon? Hoe tref je de juiste toon? Hoe vat je in woorden wat niet uit te drukken lijkt? Hoe breng je over welke wereld van gevoelens er schuilgaat achter het moeder worden van een kind met een handicap?’

Om wie je bent gaat over Benjamin. Gaat over Aaltje. Gaat over haar ouders. Levens raken genadeloos verstrikt met elkaar. Een boek dat gaat over vasthouden en leren loslaten. Over betrokkenheid en diepe loyaliteit aan elkaar. Over liefde die de boventoon voert. Over wilskracht, doorzettingsvermogen. Benjamin komt in 1990 ter wereld in het muzikale gezin van Van Zweden. Al snel voelt moeder Aaltje aan dat er iets mis is met haar zoon, derde kind in een rij van vier. Wanneer de diagnose autisme en een verstandelijke beperking uiteindelijk gesteld wordt, is dat uiteraard in eerste instantie een forse klap. De weg naar therapieën, allerlei ‘peuten en logen’ is hiermee gebaand. Het hebben van een kind met een handicap heeft voor het gezin Van Zweden enorme impact. Het zet relaties onder druk. Spanningen nemen toe. Aaltje stapt naar psychiater Jan Foudraine. Ze werd overvallen door hem toen hij zei: ‘Zo, en nu zullen we het om te beginnen maar eens over jou hebben.’ “Door de intensieve gesprekken kreeg ik inzicht in mijn eigen verleden, leerde ik het meisje kennen dat ik ooit was en mijn verleden accepteren.’ Benjamin gaf haar de kracht, zo kwam ze tijdens het schrijfproces van dit boek te weten. Een intensieve weg door het land en het oerwoud van de therapie volgt. Zoveel vrijwilligers die zich vol passie inzetten voor Benjamin, met grote positieve gevolgen. Aaltje die het Papageno Huis heeft opgericht, het krijgt allemaal een fraaie plaats in dit mooie boek.

 Om wie je bent is een boek dat de lezer door diepe dalen doet gaan, maar je ook brengt op grote, succesvolle hoogtes. Een boek dat een happy end kent, maar wel via omwegen je daar brengt. Verleden en heden worden prachtig, rauw en soms emotioneel beschreven. Dit boek boeit van begin tot eind door de prettige schrijftrant van de auteur. Mooie familiefoto’s verluchtigen de ernst van het verhaal.

Groot respect voor Aaltje en Jaap, voor zoon Benjamin en de andere kinderen. Familie van Zweden, ik buig voor jullie en neem mijn petje voor jullie af! Het was goed om even mee te mogen lopen en zo een inkijkje te krijgen in jullie (gezins)leven.

Krijgsman, Edwin | Ben ik nou zo slim?

Edwin Krijgsman (1960) is auteur en vertaler van verschillende sportboeken. Met ‘Ben ik nou zo slim?’ heeft hij een heerlijk boekje geschreven over de persoon Louis van Gaal in relatie tot veel van zijn taaluitdrukkingen. ‘I always did the light out’ is zo’n gevleugelde uitspraak geworden. Deze en vele andere uitspraken passeren de sportrevue.

Januari 2017: een groot sportman en coach kondigt het einde van zijn trainersloopbaan aan. ‘Ik geloof niet, dat ik terugkeer.’ Op zich al een fraaie zin, hij gooit hiermee niet definitief de deur dicht. Dat typeert Van Gaal uiteraard. Je kunt soms alle kanten met hem op, maar tegelijk ook weer niet.

Aloysius Paulus Maria van Gaal werd geboren op 8 augustus 1951 in Amsterdam. Een heel gewone Amsterdamse jongen. Een traumatische gebeurtenis is de dood van zijn vader toen Van Gaal nog maar elf jaar was. Er zijn auteurs en sportkenners die beweren dat Van Gaal hierdoor de man geworden is, die hij is. Edwin Krijgsman doet het af als ‘complottheorieën’. Toch zegt Krijgsman: ‘Wat nog niet wil zeggen dat hij er geen heeft.’ (een trauma, red.) Van Gaal beweert dat hij er niets aan heeft overgehouden. Logisch…?

Het ontbreekt Van Gaal niet aan zelfkennis. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in dit boek. Hij schreef columns, onder andere voor De Courant Nieuws van de Dag. ‘Het moet voor hem een heerlijke manier zijn geweest zijn mening te ventileren, omdat hij niet direct werd geconfronteerd met een gehoor dat door moedwil en misverstand niet begreep wat hij de wereld wilde verkondigen.’

Krijgsman beschrijft het trainersleven van Louis van Gaal bij alle clubs waar hij coach geweest is. Dit doet hij op een levendige, speelse en humoristische wijze. Je krijgt een helder beeld van Van Gaals denk- en handelwijze als coach, technisch directeur en als mens. Het boek is gelardeerd met vele citaten en uitdrukkingen. Het maakt het al met al tot een heerlijk boekje voor tussendoor of voor in het weekend bij een winters haardvuur.

Louis van Gaal: misschien wel de beste coach van de wereld. Geniet nog een keer na van alle treffende uitspraken, verhaspelingen en eigenzinnige woorden van deze grootmeester van het voetbal.

 

Wieringa, Tommy | De heilige Rita

De heilige Rita

‘Daantje, die al op jonge leeftijd had leren autorijden, had een auto aan de praat gekregen en was tussen hoge heggen naar het bos gereden waar zijn vader aan het stropen was. Hij was alleen in het donkere bos. Hij riep om zijn vader, ijl klonk zijn stem tussen de bomen. ‘Vader? Vader, ben je daar?’
Er kwam geen antwoord, er was niemand.
Pas nu Paul met open ogen in het duister lag te staren, zag hij de overeenkomst met Christus’ sterf­scène. Alleen aan het kruis, door alles en iedereen verlaten. Waren de drie kruisen op Golgotha niet ook te beschouwen als een bos, een dun bos? Ook Hij riep om zijn vader. Eli, Eli, lema sabachtani waren de eenzaamste woorden van de Heilige Schrift.’

Tommy Wieringa behoort inmiddels tot de absolute top van de Nederlandse literatuur. Met De heilige Rita laat hij opnieuw zien dat hij schrijven kan. Een boek dat schitterende zinnen bevat en een prachtige sfeer, maar tegelijk de lezer deprimeert.

Paul Kruger is nog een jonge jongen als er op het land van zijn ouders een Russisch vliegtuigje neerstort.De piloot overleeft het ternauwernood en komt aansterken in het huis van Pauls ouders. De moeder van Paul zorgt voor de Rus, valt voor hem en verlaat haar man en haar zoon. Het is de eerste keer dat Paul verlaten wordt. Hij ziet haar nooit meer terug en blijft bij zijn vader wonen. Het boek begint als vader als zorgbehoeftig thuis zit en Paul Kruger zijn boterham verdient als handelaar in curiosa, meer specifiek legerspullen uit de Tweede Wereldoorlog.

Pauls wereld is nauwelijks groter dan Mariënveen, het dorp waar hij woont. Hij heeft een kroegmaat, Hedwiges, die nog het dichtst in de buurt komt van een vriend. Dit uitgestorven dorp is het decor van leegte, het behang van Pauls bestaan. Vrouwelijke tederheid geniet hij bij Rita, een prostituee die in Duitsland, net over de grens werkt. Pauls leven kabbelt een beetje voort tot zijn maat Hedwiges in een domme opwelling opschept over het miljoen dat hij thuis zou bewaren en hij wordt overvallen, wat de gebeurtenissen in Mariënveen in een stroomversnelling brengt.

Wieringa is een veelzijdig schrijver. In Joe Speedboot verkende hij de absurde humor,  in verkende hij de Bijbelse geschiedenis op een prachtige, actuele manier. In dit boek verkent hij de leegte. Hij neemt een hoofdpersoon die niet veel heeft: een hulpbehoeftige vader, een vriend en een stamkroeg. Zelfs de vrouw van zijn keuze moet hij delen met het hele dorp. En langzaam maar zeker neemt Wieringa hem zelfs dat af, beetje bij beetje. Er doen zich best kansen voor voor Paul, maar hij durft ze niet te pakken. Zo is er best een leuke vrouw in hem geïnteresseerd, maar hij laat haar lopen. Ook het geloof toont zich aan Paul en hij wil graag geloven, maar ook dat lijkt niet aan hem besteed. En zo komt hij steeds verder alleen te staan, tot Wieringa Paul achterlaat in een groteske eenzaamheid die zijn weerga niet kent, waarin hij zowel met zijn liefde en zijn haat geen kant op kan.

Wieringa schrijft fantastisch. De ene na de andere schitterende zin ontrolt zich: ‘Langzaam klom hij boven de bomen uit. Nog eenmaal vloog Anton boven zijn dorp, het arme, oude Zagoeblene met zijn witte huisjes en zijn blauwe deuren en luiken, een laatste saluut, zijn ogen vol tranen. Toen zette hij koers naar het noordwesten. Zo begon zijn lange reis, met alleen de krijtwitte maan als metgezel.’ Ook de scènes waarin Pauls moeder vecht tegen de liefde voor de Rus, verliest en uiteindelijk vertrekt, zijn hartverscheurend.

Het is de volslagen eenzaamheid die voor mij als thema komt bovendrijven. Als de mens uiteindelijk elk klankbord voor zijn emotie moet ontberen, dan kan het niet anders of waanzin ligt op de loer.

Kehlmann, Daniel | Tijl

Tijl Uilenspiegel is een legendarisch personage:  een veertiende eeuwse deugniet, van plaats naar plaats trekkend en  bekend van zijn zotte streken en grappen. Deze Tijl heeft Kehlmann overgezet naar de zeventiende eeuw en hij duikt op in de Dertigjarige Oorlog die van 1618 – 1648 Europa in zijn greep houdt. De strijd tussen Rooms-Katholieke en Protestantse staten en vorsten speelt zich vooral op Duits grondgebied af en Kehlmann schroomt niet om het geweld en de verwoestingen zeer plastisch te beschrijven.

Tijl wordt niet chronologisch verteld wat de spanning in het verhaal opvoert, maar ook wel de nodige oplettendheid van de lezer vraagt. In het eerste hoofdstuk trekt Tijl met zijn gezelschap rond en arriveert in een dorpje dat tot op dat moment nog niet door oorlogsgeweld getroffen is. De bewoners zien uit naar wat vertier maar Tijl is niet alleen maar de jongleur en koorddanser die zijn publiek vermaakt. Hij weet de dorpelingen zo ver te krijgen dat ze allemaal hun rechterschoen uittrekken en omhoog gooien. De vrolijkheid slaat echter om als Tijl begint te schelden en er  ontstaat een massale vechtpartij die door Tijl schaterlachend wordt gadegeslagen. De toon is gezet: Tijl is niet alleen de grapjas die weliswaar soms over de rand gaat, maar waar je toch altijd weer om moet lachen. Hij is een boosaardig figuur die bewust kwetst en pijn doet, ontregelt en in verwarring brengt.

Tijl is de zoon van Claus Uilenspiegel. Deze heeft, voordat hij met een molenaarsdochter trouwde en daarmee ook molenaar werd, een reizend bestaan geleid. Tijdens zijn omzwervingen heeft hij veel geleerd over geneeskrachtige kruiden, allerlei magische spreuken en veel kennis opgedaan. Zijn werk als molenaar boeide hem lang niet zo als het vergaren van kennis en het filosoferen over de geheimen van het bestaan. Tijl was het enige kind van het molenaarsechtpaar dat de eerste levensjaren overleefde, maar had geen sterke band met zijn ouders. Uit angst ook hem te verliezen, hadden zij zich niet al te zeer aan hem gehecht.

Zijn kennis en het bezit van een aantal boeken in het Latijn worden de molenaar uiteindelijk fataal. Jezuïet en heksenjager Athanasius Kircher en doctor Tesimund, beiden historische figuren en grote geleerden in hun tijd, ontmaskeren Claus als heks wat tot zijn dood leidt.

Tijl gaat nu een zwervend bestaan leiden, samen met Nele. Kehlmann beschrijft zijn avonturen, afgewisseld met verhalen over de oorlog en de politieke ontwikkelingen. Geloof en bijgeloof, wetenschappelijke kennis en volkse wijsheden wisselen elkaar af. Een veelheid aan personages treedt op, waaronder Frederik, de keurvorst van de Palts en gedurende een winter koning van Bohemen met zijn vrouw Elizabeth, dochter van koning Jacobus I van Engeland. Tijl duikt telkens weer op in het verhaal en is een soort verbindende schakel tussen de personages en gebeurtenissen die zich op verschillende plaatsen afspelen.

Kehlmann vermengt geschiedenis en fictie  op een bijzondere wijze. De humor, de tijdsprongen, de vele personages maar ook  de sfeer van angst en huiver die Kehlmann weet op te roepen, houden je voortdurend in hun greep en maken het lezen tot een avontuur. Wie de moeite neemt zich mee te laten nemen in dit verhaal, wordt beloond met een verrijkende leeservaring.