Isik, Murat | Wees onzichtbaar

Tja, wat moet je zeggen, schrijven over Wees onzichtbaar van schrijver Murat Isik? Het boek moet gelezen worden! Zijn verhaal raakt een gevoelige snaar bij mij. Weemoed naar vroeger tijd, zegge en schrijve de jaren 80/90 van de vorige eeuw, roept het verhaal op. Murat Isik laat met zijn grootse roman Wees onzichtbaar een oer-Hollandse jongen zich identificeren met een Turkse jongen, opgroeiend in het Nederland van mijn jeugd. Dat is uitzonderlijk knap.

Een echte literaire coming-of-ageroman, dat is Wees onzichtbaar. Metin, hoofdpersoon en alter ego van de schrijver, komt vanuit Turkije naar Nederland. Samen met vader, moeder en zus belandt hij in een flat in de Bijlmer: Fleerde. Hier brengt hij vele jaren van zijn jeugd door: ‘Ik had nergens talent voor, ik was een eenvoudige jongen uit een problematisch gezin, een gekwelde tiener uit de Bijlmer die op de verkeerde school was beland en nu dolende was.’ De teloorgang van de Bijlmer gaat samen op met die van zijn jeugdjaren. Het verval van de Bijlmer is hierdoor metaforisch te noemen voor het leven van Metin. De jonge Metin heeft het thuis niet gemakkelijk. Zijn vader is zeer onvoorspelbaar, gewelddadig, agressief. Een communist in hart en nieren: ‘Ik ben een communist. (…) Ik ben niet zoals alle anderen, ik ben geen slaaf van het kapitalisme, geen willoze volger. Ik ben een echte communist! Een beter voorbeeld kunnen de kinderen zich niet wensen.’ Zijn moeder heeft vooralsnog weinig ruggengraat om iets tegen vader in te brengen. Zijn zus is al redelijk vroeg zelfstandig en gaat haar eigen gang. Metin vreest zijn vader en maakt zich letterlijk en figuurlijk onzichtbaar. ‘We moesten geduld hebben en doorstaan wat op ons afkwam. Het had geen zin om weg te lopen voor de pijn, we konden nergens heen. En als het ons te veel werd, moesten we onzichtbaar zijn.’ Naarmate de jaren verstrijken en de kinderen ouder worden, zie je een kentering in de omstandigheden van Metin alsmede in zijn ontwikkeling. Een zeer geloofwaardige verandering treedt op bij/in de verschillende hoofdrolspelers van het boek. Met name de ontwikkeling van moeder en Metin, die zich steeds meer gaan leren afzetten tegen hun tirannieke man en vader is ontzettend ontroerend om te lezen.

Murat Isik vertelt behalve over de persoonlijke geschiedenis van Metin ook over de geschiedenis van de Bijlmer. Hij schrijft, soms in een bijzin, zo treffend over het tijdsbeeld en de geschiedenis van de jaren ’80 tot nu. Je maakt het hele verhaal echt mee. Omdat je zelf bent opgegroeid in die tijd. De films op video, kinderprogramma’s op Sky Channel en de eerste mobieltjes op de markt, herkenning alom.

Wanneer het gezin uiteindelijk verhuist naar een woning elders in de stad, schijnt de situatie in het gezin te veranderen. Maar wanneer de wind van verandering is gaan liggen, blijkt de situatie juist te escaleren. Het laatste hoofdstuk is er een van reflectie en terugblikken op vroeger. Metin is volwassen. In een soort visioen ziet hij zijn oude zelf in de flat Fleerde, dat deels gerenoveerd en deels tegen de vlakte is gegaan, weerspiegeld. Hij ziet zijn jongere ik, glimlachend, vol kinderlijke onschuld. Nog niet wetend wat de toekomst zal brengen.

Murat Isik heeft een literaire parel afgeleverd. Een boek dat erom vraagt herlezen te worden. Om zin voor zin, woord voor woord te herkauwen en… te overdenken.

Rauwerda, Peter-Paul | De negen kamers

Een nominatie voor de Dioraphte Literatour Prijs 2017: De negen kamers van Peter-Paul Rauwerda. Dat moet goed zijn! Het Juryrapport Nominaties 2017 vermeldt onder meer dat het boek de epische allure heeft van een mythe, filosofisch is en een interessante intertekstualiteit kent. Ik kan zeggen: eens, volledig mee eens!

Ik had nog nooit van de auteur gehoord en kwam het boek tegen op internet. De flaptekst sprak me aan, ik bestelde het boek en las het in een adem uit. Een fantasierijk verhaal, waarin alles mogelijk is. Waarin je ook gewoon aanneemt dat de dingen die gebeuren voorstelbaar zijn en logisch schijnen. Je wordt heen en weer geslingerd tussen feit en fictie, realiteit en irrealiteit, de werkelijkheid en fantasie. Ze lopen soms in elkaar over, zijn verbonden en verweven met elkaar. Hier houd ik van!

Wat is het verhaal? Jonas wordt al lange tijd ernstig geplaagd door zware hoofdpijnen. Juist op het moment dat hij alleen thuis is, worden ze vrijwel ondraaglijk. Er gebeurt dan iets vreemds. Er wordt op een nacht ingebroken en de inbreker laat een groot boek achter. Later blijkt enkele straten verderop datzelfde huis te staan, zomaar vanuit het niets op een braakliggend veldje. Jonas raakt geobsedeerd door het huis. Hij probeert er verschillende keren naar binnen te gaan, maar het huis houdt hem in eerste instantie tegen. Eenmaal toch binnengekomen, dwaalt hij door de negen kamers die het huis rijk is. Hij belandt in uitzonderlijke, wonderlijke situaties. Maar is dit alles nu echt of gebeuren de dingen enkel in zijn hoofd?

Tijdens het lezen moest ik denken aan de verhalen van Harry Potter en Alice in Wonderland. De bloemrijke taal doet denken aan Zafon en Garcia Marquez, aldus literair deskundigen. Een sprookjesachtige sfeer, fantasievolle omstandigheden en gebeurtenissen en zeer beeldende, poëtische zinnen, lijken Rauwerda te typeren in dit boek. Niet verwonderlijk overigens, het is zijn debuutroman. Het boek smaakt naar meer Peter-Paul Rauwerda.

Gezien de hoeveelheid ezelsoren in mijn boek, kan ik genoeg citeren. Te veel voor nu. Toch kan ik niet nalaten er enkele te noemen om op zijn minst een indruk te geven van zijn verhaal, zijn stijl.

Om aan te geven hoe ik mij kan identificeren met Jonas: ‘Jonas is een lezer. Vaak leest hij meerdere boeken tegelijk en al die personages uit al die boeken vechten om een plaats in zijn hoofd.’

Rauwerda, de taalkundige/wiskundige, vertelt: ‘Weet u dat een mens uit taal bestaat? Een mens is als een boek, opgebouwd uit zinnen. Die zinnen bestaan uit woorden. Die woorden bestaan uit letters. Alles wat leeft bestaat uit taal. Dat noemen ze DNA. Met de woorden uit die taal kun je zinnen vormen, hele lange zinnen. En daarmee kun je mensen maken, alsof je boeken schrijft.’

Hoe kijkt Jonas aan tegen religie? ‘De religieuze boeken staan fier overeind op hun eigen plekje in hun boekenkast en weigeren ook maar een millimeter op te schuiven in de richting van de andere religieuze boeken op dezelfde plank. (…) Zodra Jonas zich laat zien beginnen de boeken door elkaar te klepperen. ‘Wij bieden de enige uitweg. Laat ons je leiden naar het licht. Wij verheffen je tot het hogere.”

Rauwerda tekent ons ook de kracht van de verbeelding in taal: ‘Met verbeelding kun je uit iedere situatie, hoe ellendig ook, ontsnappen. Gebruik de verbeelding.’

De negen kamers is een veelzeggend, mooi en krachtig boek dat erom schreeuwt herlezen te worden en geregeld te overdenken. Lees maar, er staat niet wat er staat…

 

Carayon, Christian | Een zucht, een schim

Je zult maar geschiedenis- en aardrijkskundedocent zijn. Je zult maar een keigoed idee hebben voor een spannend boek, een thriller. Je zult dan ook nog eens goed kunnen schrijven. En ziedaar… Christian Carayon met zijn boek Een zucht, een schim.

Christian Carayons debuut is er een om rustig te lezen. Spannend tot en met. Maar ook een debuut om je hoofd erbij te houden. Als je denkt een snel actieverhaal te krijgen, heb je het namelijk mis. Zijn verhaal is voor publicatie al aan meerdere landen verkocht. dat zegt vaak al genoeg. Ik moet zeggen: een film zal vast niet lang op zich laten wachten. Het Franse landschap in het zuiden van het land leent zich er uitstekend voor: bergen, bossen, een meer.

Christian Carayon kiest voor een hoofdrolspeler waarmee hij zich prima kan identificeren. Geschiedenisdocent Marc-Edouard Peiresoles heet hij. Toen hij een jonge jongen was, heeft er in zijn directe omgeving een gruwelijke gebeurtenis plaatsgevonden. 3 tieners zijn op beestachtige, monsterachtige wijze om het leven gebracht op een eilandje in het meer. Gelukkig zit de moordenaar vast. Maar schuld is nooit bewezen. Reden genoeg voor een geschiedenisdocent om eens diep in deze zaak te duiken. Reden te meer om zijn eigen angst te overwinnen. Een jeugdtrauma overwinnen door met deze zaak in het reine te komen, voor deze uitdaging staat genoemde Peiresoles. Nauwgezet gaat hij te werk. Hij duikt in het verleden van alle slachtoffers en hun naasten, ‘ondergaat’ de locatie van de moorden, bijt zich vast in de vermeende moordenaar(s) en weet stapje voor stapje achter de ware geschiedenis te komen. Dan vermoedt en voelt Peiresoles dat iemand hem in de gaten houdt. Koste wat kost probeert iemand hem van het onderzoek af te houden. Zijn leven komt in gevaar.

Belangrijkste vraag in het boek: wat gebeurde er op het eiland in het meer? Rondom dit centrale gegeven ontspint zich een verontrustend verhaal. Een verhaal dat echt iets doet met de lezer. Christian Carayon weet de lezer in het hoofd te krijgen van Marc-Edouard Peiresoles. Op filmische wijze neemt hij je mee in het boek. Rustig, stap-voor-stap betrekt hij de lezer in de obsessieve zoektocht van de hoofdfiguur. Knap gedaan!

Chapeau ook voor de vertaler van dit Franstalige boek: Jaap Sietse Zuierveld. De vertaling is niet alleen nauwgezet, maar ook voelt het zo aan. De zinnen ademen Frans uit. Het boek bestaat uit verschillende delen die allen voorafgegaan worden door een citaat uit de wereldliteratuur: onder anderen De vanger in het graan en de fabel De haas en de kikkers van La Fontaine. ‘Uw rouwkleed sleept dode bladeren mee’ (Cyrano) en ‘Ik ben het kleine kind dat uw sjaal uit de zee ging halen’  (Het spook van de opera) zijn hier voorbeelden van.

Een van de slachtoffers van de moordpartij op het eiland, Florie, heeft het overleefd, ternauwernood. Maar meer dan een kasplantje is het niet, verzorgd door haar vader in Engeland. Wanneer Peiresoles hen bezoekt , zegt vader het volgende: ‘Florie tekent wel eens. Grijze, heel abstracte tekeningen. Op een groot aantal daarvan verschijnt een zwarte schim.’ (…) Ik kan het niet uit mijn hoofd krijgen dat iemand hetzelfde met mijn dochter heeft gedaan. (…) Dat het monster vlakbij was, op de andere oever, aan het feesten met de anderen. En dat hij er nog steeds is.’

Brown, Dan | Oorsprong

Maandenlang werd er druk gespeculeerd over zijn nieuwste boek. Omgeven door een web van geheimzinnigheid werd het langzaam maar zeker duidelijk; 2 vragen staan centraal in Oorsprong: Waar komen we vandaan? Waar gaan we naartoe? Robert Langdon, hoogleraar kunstgeschiedenis en symboliek, liefhebber van met name de oudere kunstobjecten, speelt wederom de hoofdrol in een geniale thriller. Wat mij betreft is Dan Brown volledig terug na Inferno, een minder spannend en minder goed uitgewerkt verhaal. Oorsprong is echt een stijlvolle, razendspannende en ingenieuze thriller, in de stijl van Browns De Da Vinci Code.

Robert Langdon is te gast in het hypermoderne Guggenheim-museum te Bilbao. Alleen al dit gegeven is heerlijk uitgewerkt en verwerkt door Brown. Een grotere tegenstelling is niet denkbaar voor Langdon. In het museum is hij uitgenodigd door zijn goede vriend en oud-student Edmond Kirsch, fel atheïst en excentriek futuroloog. Deze Kirsch zal een presentatie geven, zodanig en zo groots dat de hele (wetenschappelijke en religieuze) wereld op zijn kop zal staan en op zijn grondvesten zal schudden. Vlak voor hij zijn ontdekkende boodschap aan de wereld kan doorgeven, wordt Kirsch doodgeschoten. Onder het oog van duizenden kijkers, op tv en online, en onder het toeziend oog van Langdon en museumdirectrice Ambra Vidal vloeit het leven weg uit Kirsch. Robert Langdon is diep geschokt en vastbesloten, samen met de directrice, alles op alles te zetten om alsnog de presentatie te kunnen laten zien. Een enkel dingetje: ze zullen het wachtwoord moeten vinden om de presentatie te vertonen. Een kleinigheidje voor Langdon…? Deze zoektocht brengt hen op verschillende plaatsen in Spanje, waaronder de wereldberoemde Sagrada Familia.

Op de hielen gezeten door de geheimzinnige Regent en de moordenaar van Kirsch zijn ze nergens hun leven zeker. De tijd tikt. Dan blijkt dat hun gekwelde vijand en Kirsch’ moordenaar banden heeft met het Spaanse koninklijke huis, en laat nu net Ambra Vidal verloofd zijn met de kroonprins!

Oorsprong is geniaal in zijn opzet, plot en wetenschappelijke en religieuze kennis. Het einde van het boek is helaas net iets ‘over the top’. De boodschap die Dan Brown wil meegeven in zijn nieuwste boek is er een om absoluut over na te denken. De evolutie van de mens in technologisch opzicht bereikt zijn hoogtepunt. Brown gaat niet zozeer in op de oorsprong van de mens zoals Darwin die voor ogen had, maar hij toont vooral aan dat de mens door de toegenomen technische en wetenschappelijke vooruitgang anno nu zichzelf evolueert tot, ja, tot wat eigenlijk?

2 vragen staan centraal: Waar komen we vandaan? Waar gaan we naartoe? Een christen heeft de antwoorden paraat en weet dat er Iemand zal zijn Die alle dingen nieuw maakt en Die het laatste woord zal hebben. Daar kan uiteindelijk ook de wetenschap en de techniek niet onderuit komen.

 

 

 

 

Spits, Frits | De standaards van Spits 2

Indrukwekkend. Voor me ligt het tweede deel van de zeer boeiende lees- en luistergids van de meester van de taal, Frits Spits. Ach, nadere introductie van de presentator van De Taalstaat is niet aan de orde immers? De Standaards van Spits, deel 2 is een majestueuze, persoonlijke en derhalve subjectieve geschiedenis van het Nederlandstalige lied. Een genot voor het oor, een genot voor het oog, een genot voor het muzikaal geheugen.

Ronduit geweldig is dat bij dit boek 4 cd’s geleverd worden; uren muzikaal plezier, herinneringen oproepend aan reeds lang vervlogen liedjes. Soms met weemoed terugdenkend aan de ‘goede ouwe tijd’. Dan weer verrassend de wenkbrauwen omhoog, het aha-gevoel komt dan omhoog borrelen. Is het alweer zo lang geleden? Henk Westbroek met Waar ze loopt te wandelen, Boudewijn de Groot met Jimmy, maar ook Een kopje koffie van VOF de Kunst. En wat te denken van Ramses Shaffy met Zing, Vecht…? Wat volgt is een ode aan het Nederlandse lied, samengesteld door muzikaal begaafd man en neerlandicus Frits Spits. In 2 vuistdikke delen maar liefst!

Na een persoonlijke noot vooraf van Nelleke Noordervliet (‘Frits Spits leert ons te luisteren, zoals hij zelf luistert, vol verwondering, bereid tot een lach en klaar voor een traan.’) volgt de inleiding van Spits zelf, getiteld Startplaats. Het is min of meer een verantwoording van zijn liederenkeuze. ‘Het is alsof ik de regie over wat ik schrijf niet langer zelf voer. Soms is het alsof een onzichtbare hand die van mij overneemt en de pen laat schrijven. Ik ben er zelf nog het meest verbaasd over.’ Het is de hand van een andere Meester zo laat Spits doen voorkomen die hem opdraagt dit tweede deel te schrijven. Hij noemt zijn keuze een eigenwijze keuze. Hij kan ook niet anders. Het standaardwerk van Spits krijgt op deze manier wel een religieus, spiritueel getinte toon. Of het zijn bedoeling is?

Frits Spits is wat Gerrit Komrij was voor de poëziegeschiedenis. Spits behandelt in zijn korte hoofdstukken elk lied dat beluisterd kan worden middels de cd’s. Hij gaat in op de volgende zaken: arrangement, de tekstbenadering van het lied (en van ander repertoire van de zanger(es)) alsmede de uitvoering van het lied. Met gevoel voor taal (uiteraard!) en de juiste balans in zijn bespreking, neemt hij je mee door zijn boek. Bij het bespreken van het lied Suzanne van Herman van Veen zegt Frits Spits het volgende: ‘Het is als sterren kijken. Ik weet dat ik niet dichterbij kan komen, toch blijf ik het proberen omdat het verlangen om ze te leren kennen te groot is.’ De gelaagdheid van dit lied is een mysterieuze, een mystieke haast. Wil Spits die doorgronden, maar kan hij niet? Het is de moeite waard de tekst van dit lied eens te googelen. Wat Spits kenmerkt is dat hij daadwerkelijk de plaatsen bezoekt waar de liederen zich afspelen, zoals het Kronenburgerpark in Nijmegen (Frank Boeyen) en Brussel (Zjef Vanuytsel). Hij weet waar hij over spreekt. Een verdienste! Spits is eerlijk, hij durft zichzelf toe te spreken wanneer hij bepaalde liedjes vroeger niet draaide op de radio en waar hij toen de waarde op de een of andere manier niet van inzag. Nu wel…gelukkig… Spits’ reis heeft de waarde van een evaluatieve, reflectieve, soms mystieke ontdekkingstocht.

Een uitvoerige bronvermelding maakt De standaards van Spits 2 helemaal af. Dit is zo’n boek dat je wilt blijven lezen, het mag niet uit zijn. Lekker dwalen door vroeger tijd. Een muzikale reis door de wereld van poëtische liederen, carnavalskrakers en liedjes waarvan je denkt ‘moet dat nou?’ Aan te bevelen is de liederen vooraf te beluisteren, gedoseerd, om daarna de bijbehorende stukken uit het boek te lezen.

Martens, Lidewij | Tot je valt

Wanneer je in het verleden een leerlinge hebt mogen begeleiden die beginnende anorexia had, wanneer je weet welke impact dit heeft op het leven van een jong meisje, dan kan het niet anders zijn dan dat Tot je valt van Lidewij Martens je van de sokken blaast.

Tot je valt is verstillende proza. Kalm, kabbelend als een fris beekje in het Limburgse heuvellandschap verwoordt Martens haar heftige thematiek: anorexia. Het verhaal verloopt als volgt: Nico, veerman van een door hemzelf aangekochte pont, vaart elke dag heen en weer naar de overkant. De bouw van de nieuwe brug over het water gaat gestaag door, wetend dat wanneer de brug klaar is, het ‘vaardoek’ voor hem valt. Tegen de achtergrond van dit decor speelt het verhaal zich af. Meerdere keren in het verhaal lezen we beetje bij beetje hoe het verder gaat met de brug. Het houdt gelijke tred met de ontwikkelingen in Nico. Het gaat naar een onverbiddelijk einde. Tijdens de overtochten die hij dagelijks maakt, gaan zijn gedachten uit naar zijn dochter Geesje. Hij denkt aan hoe ze eet, hoe ze praat om hem af te leiden van haar eetgedrag- en patroon. ‘Als je echt wilt, maar dan ook echt, kun je alles.’ Ook niet eten, klinkt een stem in zijn hoofd.’

Nico worstelt steeds met de dood van zijn dochter Geesje, ze viel ten prooi aan anorexia. Op een dag ontmoet Nico een nieuwe passagier, een jonge vrouw van negentien. Ze doet hem erg denken aan Geesje. Zijn onmacht tegenover de levenslust en de wilskracht van de jonge vrouw worden op grootse wijze klein beschreven. Zoals Nico en Geesje over de grenzen van de dood heen elkaar ten diepste niet kunnen loslaten, zo blijven beide personages haken in de geheugens en harten van de lezers.

Het blijft niet bij die ene ontmoeting, Nico gaat steeds meer uitzien naar deze jonge vrouw die hem mateloos intrigeert. Ze leren elkaar steeds verder en dieper kennen. Ondertussen gaat de bouw van de brug verder…

Lidewij Martens vertelt in fraaie zinnen haar verhaal. Hoe heeft het zover kunnen komen met Geesje? Welke rol speelde de scheiding van haar ouders? Haar lichamelijke ontwikkeling en het kopen van haar eerste bh maken veel los in Geesje. Langzaam maar zeker wordt de lezer deelgenoot van Geesjes psyche, haar strijd, haar verdriet, haar pogingen om haar ouders bij elkaar terug te krijgen. In wisselende perspectieven en vele flashbacks leer je de personages goed kennen en zie je wat hen bezielt en hoe hun ‘struggling for life’ zich ontwikkelt.

‘Ze had mijn geluk niet onder controle. En ik luisterde niet. Haar lichaam luisterde wel. Het gehoorzaamde, al kon ze nergens aan denken dan aan die appel in haar tas. Als ze niet at, had ze weer gewonnen.’

Het boek bevat achterin enkele mooie leesvragen voor leesclubs en biedt stof tot nadenken en beleven voor scholieren en hun docenten Nederlands.Tot je valt is verplichte kost op alle leeslijsten literatuur in het voortgezet onderwijs alsmede voor alle hulpverleners binnen de geestelijke gezondheidszorg. Opdat we zullen herkennen, leren en.. strijden.

 

Frolke, Viktor | Het dispuut

Mag ik aan u voorstellen, vruchten, de volgende personages uit Het dispuut? ‘De lijkbleke Michiels Kessenich; de onafscheidelijke en niet uit elkaar te houden tweeling Van Voorst tot Voorst, Gabriel en Lucas (eentje miste een stukje van zijn pink, maar welke was dat ook alweer?); Desplanches met het nerveuze piepstemmetje; De Vries, die net zoals de Van Voorsten uit hetzelfde Gooise dorp bleek te komen en om die reden als een hardnekkige parasiet achter hen aan sjokte, en ten slotte Mulder, een luidruchtige dandy in driedelig grijs (…)’.

Het dispuut is een uitstekend geschreven verhaal door Viktor Frolke. Hij debuteerde in 2008 met Fake. In 2013 verscheen van zijn hand de veelgeprezen roman Zalig uiteinde. Frolke neemt je mee in een besloten, decadente studentenwereld, die van de arrogante studentenvereniging Multatuli. Tristan Oleander, de hoofdpersoon van Het dispuut, komt uit de provincie naar Amsterdam om daar als student wijsbegeerte aan de slag te gaan. Hij belandt bij Multatuli. Daar start hij als ‘vrucht’. Hij voelt een enorme aantrekkingskracht tot de vereniging, maar ervaart ook afschuw en afkeer ervan. In deel 1 lees je zijn wedervaringen als vrucht, de stevige ontgroeningsrituelen op weg naar de definitieve inlijving in het dispuut. Je maakt kennis met alle figuren met hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Aan het begin van deel 2 ondernemen de studenten van het dispuut een reis naar Lebak, Indonesië, de bakermat van de Max Havelaar van Multatuli. Een jaarlijks uitje dat nu zeer tragisch eindigt. Een van de studenten komt om het leven. Moord in eigen gelederen. Tristan twijfelt meer en meer aan zijn deelname aan de club. Maar eenmaal lid, ben je dat voor het leven.

Het laatste deel beslaat de volwassen jaren van Tristan, die geobsedeerd door een sterk rechtvaardigheidsgevoel, besluit om de waarheid te achterhalen rondom de dood van de student. Hij zal de studenten van toen ter verantwoording roepen voor een speciaal opgericht tribunaal. Het eind van het verhaal laat de lezer dermate in het ongewisse, dat je een reden te meer hebt om het boek te gaan herlezen.

Frolke weet de wereld van de decadente studenten heel goed te beschrijven. Heeft hij er zelf deel van uitgemaakt? Het boek dat een ‘Voskuilsiaanse’ (genoemd naar de auteur J.J. Voskuil) inslag heeft, mondt uit in een ietwat duistere en beklemmende thriller. Het taalgebruik is goed te noemen, lovenswaardig is de geheel eigen woordenschat van de studenten: vrucht voor beginneling, poep voor geld en goud voor leuk. Negatief taalgebruik is er ook, passend bij de setting waarin het verhaal is ingebed. De personages worden boeiend neergezet, van student naar volwassen man. Tegelijk maken enkelen van hen een (interessante) ontwikkeling door.

Het verhaal is literair: er zijn voldoende motieven aan te wijzen, het hanengevecht in Indonesie (deel 2) waar de studenten getuige van zijn, is een metafoor van de omgang tussen de studenten, er zijn mooie verwijzingen naar werk van Multatuli alsmede over de schrijver zelf. Ze hebben een prima toegevoegde waarde. Filosofische uitspraken in het hele verhaal zetten de lezer op scherp, zetten tot nadenken aan. Ook, en dat zou je niet direct verwachten in het boek, wordt er een passage uit Psalm 94 geciteerd dat spreekt over de gerechtigheid. Een belangrijk motief in het boek voor de hoofdpersoon Tristan: ‘God van vergelding, verschijn in luister. Verhef u, rechter van de aarde, geef de hoogmoedigen hun loon. Hoelang nog zullen de wettelozen juichen, de onrechtvaardigen het hoogste woord voeren en trotse taal uitslaan?’ (…)

Kortom, Viktor Frolke heeft een veelzijdig en goed doordacht verhaal aan het papier toevertrouwd.

 

 

 

 

Oz, Amos | Zwarte doos

Z
In  Zwarte doos spat het venijn van de pagina’s. Ilana Sommo-Brandstetter, haar ex-man Alexander (Alec) Gid’on en haar huidige echtgenoot Michaël Sommo laten in hun brieven een ontluisterend beeld van een ingewikkelde relatie zien. Zoals een zwarte doos de toedracht van een vliegtuigongeluk openbaart, zo laten de brieven zien wat er is gebeurd in de levens van de hoofdpersonages.

Boaz, de zoon van Ilana en Alec, is de aanleiding voor het briefcontact. Hij is een moeilijke, soms zelfs gewelddadige jongen, waar Ilana geen raad meer mee weet. Ook Michaël Sommo, zijn streng religieuze stiefvader en fanatiek aanhanger van de groot-Israëlpolitiek, die probeert Boaz uit de problemen en op het rechte pad te krijgen, lijkt weinig te kunnen uitrichten. Ilana hoopt dat Alec Gid’on zijn invloed kan laten gelden.

Uit de brieven vol taalfouten die Boaz schrijft, leren we een beschadigde jongen kennen. Hij heeft ernstig geleden onder de slechte relatie van zijn ouders en is op zoek naar zichzelf.  Zijn onbeholpen verwoorde pijn en frustratie roept sympathie op. Hij is de persoon met wie ik me het meest verbonden ben gaan voelen.                                             De brieven tussen Ilana en Alec laten zien dat liefde en haat twee kanten van dezelfde medaille zijn. Ze tonen de tragiek van twee mensen die elkaar uiteindelijk niet los kunnen laten. Dit wordt zichtbaar als Alec, die terminaal ziek is, en Ilana de laatste fase van het leven van Alec samen doorbrengen in het huis van Boaz. Het kind verenigt de ouders? Of kun je niet spreken over verzoening?

Ook in Zwarte doos schuwt Amos Oz de politieke verdeeldheid in Israël niet. Michaël Sommo krijgt alle ruimte in zijn brieven om zijn opvattingen over de Groot-Israëlgedachte te verwoorden en het is met name Boaz die daarnaast zijn eigen idealen laat zien. Ook in de brieven die Alec en Michaël uitwisselen komen de politieke tegenstellingen aan de orde. Het heeft iets komisch dat Alecs geld ondanks zijn afkeer van Michaëls opvattingen gebruikt wordt ten bate van de Groot-Israëlgedachte.

Boaz krijgt de beschikking over het verwaarloosde landgoed van zijn vader en daar ontstaat een soort commune. Geen groots politiek project maar simpel het opknappen van het huis en het vruchtbaar maken van het verwaarloosde land wordt het levensdoel van Boaz. “Vrijheit blijheit. Het is hier geen Kiriat Arba (streng religieuze gemeenschap) iedereen doet waar hij zin in heeft zolang ze maar hard werken elkaar goed behandelen niemand op de zenuwen werken en elkaar niet de les leezen.” Hiermee neemt hij duidelijk afstand van de opvattingen van zijn stiefvader. Toch tonen de brieven tussen Boaz en Michaël, ondanks de grote verschillen en de soms harde toon, een betrokkenheid en waardering die het onbegrip soms kan overstijgen.

Opnieuw heeft Amos Oz een briljant werk geschreven. Door te kiezen voor een roman in briefvorm kun je steeds in het hoofd van een ander personage kruipen. Je ervaart zo aan den lijve de complexiteit van de onderlinge relaties. Zwarte doos : een onthullend en onthutsend verhaal.

Oz, Amos | Panter in de kelder

..Panter in de kelder speelt zich af in  het Jeruzalem van 1947  in de nadagen van het Britse Mandaat over Palestina. De oprichting van  de staat Israël en de bevrijding van de gehate Britten is aanstaande. In Panter in de kelder beleven we vanuit het perspectief van de twaalfjarige Profi (professor) deze hectische periode.

Als de avondklok in Jeruzalem is ingegaan, worden verzetsgroepen actief en dat spreekt tot de verbeelding van Profi. Samen met zijn vriendjes richt hij ook een ‘verzetsgroep’ op.  Samen maken ze plannen voor een aanslag op de Engelse koning of zijn vertegenwoordiger, de Hoge Commissaris, in Jeruzalem. Ook zijn ouders zijn op hun eigen manier betrokken bij verzet tegen het Britse Mandaat. Profi’s vader, een studeerkamergeleerde, schrijft opruiende pamfletten en zijn moeder verleent eerste hulp aan gewonde verzetsstrijder.

Als Profi op een avond na het ingaan van de avondklok nog op straat loopt, wordt hij aangehouden door een Engelse politieagent: Stehphen Dunlop. Hij blijkt zeer geïnteresseerd in de Hebreeuwse taal en vraagt Profi hem daarbij te helpen.  In ruil daar- voor biedt hij  hulp bij het leren van Engels. Dit plaatst Profi voor een dilemma: de Engelsen zijn hun vijanden. Mag je dan op min of meer vriendschappelijke wijze met hen omgaan? Ben je dan geen verrader van je eigen mensen? Of kun je dit contact gebruiken voor je eigen doelen en spioneren in het belang van je eigen land?

De conclusie van zijn vriendjes uit de verzetsgroep is duidelijk: ‘Profi is een laaghartige verrader’. Maar is hij dat ook, zo vraagt Profi zich gedurende het hele boek af. Wat is verraad eigenlijk? Deze vraag bepaalt uiteindelijk het thema van dit prachtige boek.

Deze kwestie houdt de verteller jaren later nog steeds bezig. Net als de jonge Profi probeert hij door het spelen met de taal de wereld om zich heen te  ordenen en te begrijpen. Knap weet Amos Oz hier door dit spel met woorden te laten zien dat er altijd verschillende kanten aan een zaak zitten. De jonge Profi realiseert zich al dat het denken in vijandsbeelden nuance behoeft en jaren later wordt dit bevestigd in de woorden van de volwassen Profi.

Profi vertegenwoordigt in meer dan een opzicht Amos Oz zelf. Zowel het leven van Profi en Oz, als de ontwikkeling in het denken van Profi en Oz vertoont overeenkomst.

Amos Oz geeft ons met Panter in de kelder een boek om met veel aandacht te lezen. Het fijnzinnige taalgebruik, zoals de prachtige beschrijvingen van de boekenkasten van Profi’s vader, en de karakterisering van de personages vanuit Profi’s perspectief maken Panter in de kelder  naast de tijdloze thematiek tot een juweeltje.

Toorenaar, Jaap | Mijn vader zei altijd

Jaap Toorenaar schreef, in samenwerking met het Genootschap Onze Taal, de opvolger van Mijn moeder zei altijd. Het is een keurig verzorgd boekje geworden met heerlijke gezegdes en uitspraken die een lach en een traan oproepen, die herkenbaar zijn of volstrekt onbekend zijn, maar die je wilt gaan bezigen in de toekomst.

Mijn vader zei altijd bevat vele spreuken, gezegdes, intieme spreekwoorden en prachtige uitspraken over tal van onderwerpen: maaltijden, mannen en vrouwen, armoede en rijkdom, levenslessen, alsook items die schuren, op het randje zijn, zoals de categorie Niet bestemd voor kleine kinderen en De dood.

Toorenaar heeft bij het schrijven en samenstellen van dit boekje hulp gehad van honderden mensen die hun uitspraken instuurden na een geplaatste oproep in het taalblad Onze Taal. Ook wijdde dit tijdschrift enkele artikelen aan de mooiste uitspraken van ouders en grootouders. Toorenaar (Wilhelminadorp, 1954) is relatief onbekend, maar is een stuk bekender vanwege diverse reclameslogans die hij heeft bedacht, waaronder: ‘Calvé pindakaas. Wie is er niet groot mee geworden?’ en ‘Een beter milieu begint bij jezelf.’ Behalve met non-fictie hield hij zich ook bezig met het schrijven van en kinderboek: De jongen met de tien gezichten.

Uiteraard mogen in deze recensie enkele interessante uitspraken van ouders en grootouders niet ontbreken:

Als iemand in z’n neus peuterde, klonk het bij ons: ‘Je probeert zeker binnendoor een vuiltje uit je oog te halen.’

‘Gezondheid is niet alles, maar zonder gezondheid is alles niets.’

‘Opvoeden is jezelf overbodig maken.’

‘Familie is als medicijnen. Je moet ze doseren.’

Ook religie komt hier en daar aan bod, de ene keer ironisch, de ander keer serieuzer. ‘Wie moppert op het weer, die moppert op de Heer.’

Jaap Toorenaar heeft met Mijn vader zei altijd een boek geschreven/samengesteld dat uitnodigt tot lezen en herlezen. Leuk om in vakantietijd tot je te nemen.