Klein Haneveld, Johan | De Krakenvorst boek 1: Keruga

Johan Klein Haneveld, auteur van onder andere het non-fictieve werk De loser die wint (2015), heeft met De Krakenvorst een volgende stap gezet. Schreef hij al eerder sciencefictionromans, nu is de fantasyroman aan de beurt. En ook deel 2: Kartaalmon is inmiddels uitgekomen. Naast deze schrijverij is Klein Haneveld auteur van korte verhalen in het sciencefictiongenre, is hij eindredacteur van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde en is hij behalve dol op zijn vrouw, gek van vissen en aquariums. Je zou met recht kunnen zeggen dat hij een zeer veelzijdig mens is. Ook heeft hij al diverse prijzen en nominaties in de wacht weten te slepen. .

In De Krakenvorst, boek 1, volgen we de levens van een aantal jonge mensen: Alecia, priesteres in opleiding, Tarid, half mens, half Hirita en Frelik, een jonge jongen op de vlucht voor de vijand. De levens van hen zullen, je voelt het al aan, vanzelf ineen worden gevlochten. Aan het einde van boek 1 zijn Frelik, Tarid en Peritar al bij elkaar gekomen. Elk van deze personages heeft zo zijn/haar eigen problemen, vragen en worstelingen. Keuzes maken en de consequenties dragen van die keuzes, daar draait het allemaal om. In Keruga, het priesterdom, leren we Alecia kennen. Ze worstelt met de strenge leer van de priesters. Brengen alle wetten en regeltjes echte vrijheid? Hoe verhouden deze zich ten opzichte van de Almachtige zelf? Als priesteres in opleiding zal ze een nacht doorbrengen voor de Spiegel der Dromen. Hier ontvangt ze een visioen over een gigantische inktvis die zijn tentakels spreidt over de hele wereld. Deze inktvis wordt de Kraak genoemd. Dan is er nog de Krakenvorst, een demonische heerser die het volk hoge belastingen oplegt. Dit noopt vele mensen tot wanhopige maatregelen. Alecia gaat haar boodschap overbrengen bij de koning van Kartaalmon. Hier wordt ze geconfronteerd met tegenwerking en ze wordt gedwongen te vluchten. Op dat moment vallen vijandelijke legers van buiten het koninkrijk Kartaalmon aan: de zwarte rovers (monsters) vallen de burgers aan van het koninkrijk.

Klein Haneveld weet de sfeer in zijn boek goed te beschrijven: uitgebreide natuurbeschrijvingen en gedetailleerde informatie over mensen en plaatsen liggen hieraan ten grondslag. Hij mag wel proberen om niet te lang uit te weiden hierover, zijn kracht is ook een valkuil. Interessant, boeiend zelfs, is dat hij de thematiek en de boodschap van zijn non-fictieve werk De loser die wint laat terugkomen in een fantasyverhaal. Het staan in een religie waarin je beknot wordt door regels en wetten, al dan niet schriftelijk vastgelegd, leidt niet tot echte christelijke vrijheid. De auteur zet zich hier (terecht?) tegen af. Met name het eerste gedeelte van het boek gaat hierover. Alecia worstelt hiermee en ontvlucht uiteindelijk het priesterdom. Dat heeft veel te zeggen.

De Krakenvorst laat zich lezen als een soort parabel, een gelijkenis. Veel symbolen, motieven ontleend aan het christelijke geloof vind je terug in het boek. De kerkdienst die Alecia bijwoont in het begin van het boek doet denken aan kerkdiensten waarin de dominee bekende klanken uitgiet over de hoofden van de gemeenteleden, maar die ten diepste langs je heen gaan. Een wezenlijk gevaar! Het wettische geloof tegenover het staan in de christelijke vrijheid komt diepgaand aan de orde:

‘Als iemand zich niet houdt aan de geboden, moet hij daar op worden gewezen. “Hij heeft gerechtigheid lief”, staat in hetzelfde boek. ‘En gerechtigheid staat gelijk aan het gehoorzamen van regels?’ vroeg Forina ontsteld. ‘Zoals het op tijd in de dienst komen?’ Manila knikte. ‘Op die manier dienen we de Almachtige. (…) “Geboden zijn er niet voor niets. Wie de kleine vergeet, houdt zich ook niet aan de grote”.

‘Ik voel me opgesloten, alsof ik vastzit in kettingen, die langzaam strakker worden. Alles waardoor ik tot leven kom, mijn eten en drinken, moet ik van de priesters wegdoen. Geen plezier, geen vrienden, alleen hun regels en hun boeken. Maar ik wil vrij zijn. Ik wil reizen, mensen ontmoeten, de wereld zien…’

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat mensen zich hierin, helaas, zullen herkennen. Dat deze worsteling serieus genomen wordt door een fantasyschrijver als Klein Haneveld, is een troost. Invoelend, meelevend verwoordt hij die geestelijke strijd omdat hij zelf erdoorheen gegaan is. Ik roep een ieder op om De loser die wint te lezen en daarna zijn tweeluik over De Krakenvorst.

 

 

Vuijsje, Herman | Pelgrim zonder God

De Camino, de pelgrimsweg naar Santiago de Compostela, brengt vele mensen in beweging. Veel wandelaars, pelgrims genoemd, lopen de wandeltocht vanuit een spirituele behoefte. Zij hopen de vaak broodnodige verlossing te vinden voor hun (psychische) problemen. Ze hopen die zuivering te ervaren die hen in staat stelt een nieuwe weg in te slaan op het levenspad. Zo ook de, naar eigen zeggen, atheïstische auteur Herman Vuijsje. Bijna dertig jaar geleden liep hij de wandeltocht der wandeltochten. Maar wel in omgekeerde richting. Hij begon in Santiago de Compostela. En liep vervolgens terug naar Amsterdam, het Sodom en Gomorra van het westen. Het resulteerde in een pittig boek: Pelgrim zonder God.

In Pelgrim zonder God blikt Herman Vuijsje terug op zijn wandelreis van weleer, dit doet hij in een herzien voorwoord. In mooie volzinnen, kritisch kijkend naar de religieuze en spirituele kant van de wandelzaak en met een milde (zelf)spot verwoordt hij zijn filosofische overpeinzingen:
‘Het lijkt erop dat de ‘opbrengst’ van Compostela bestaat uit datgene wat je ’t minst was en het liefst zou willen zijn.’
De tocht naar Compostela geeft zowel positieve als negatieve vrijheden betoogt Herman Vuijsje. Hij gaat dieper in op de vrijheden die de pelgrimstocht biedt: vrijheid van expressie, vrijheid van gedachten, vrijwaring van keuzen en vrijwaring van tijdgebrek. ‘Wie naar Santiago trekt, maakt zich juist los van waarden als doelgerichtheid, efficiëntie en effectiviteit. Vaak weet hij juist niet wat hij wil, maar gaat hij op pad om daar achter te komen.’
De pelgrimstocht als medicijn tegen depressies. Deze tocht functioneert als een prima antidepressivum. ‘De Santiagopelgrimage speelt in op eigentijdse noden: ze voert ons terug naar eenvoud, onopgesmuktheid en authenticiteit.’

Herman Vuijsje schrijft verderop: ‘Santiago laat zien hoezeer de grens tussen godsdienst en medemenselijkheid vervaagt en van onbelang wordt.’ De schrijver laat duidelijk voelen dat de idee van een religieuze voettocht naar het hogere, geestelijke doel er niet meer toe doet. Hij maakt daarom de keuze in omgekeerde orde de pelgrimage te volbrengen. Vanuit de middeleeuwen naar de moderne tijd trekkend. In bijna metaforische bewoordingen toont Herman Vuijsje de lezer aan dat God en godsdienst ondergeschikt is. Al het oude moet weg, welkom wetenschap en verstand! Zijn afkeer van religie toont tegelijkertijd volstrekt helder aan dat zelfs een atheïst nooit loskomt en losgezongen wordt van God. Waarom heeft hij anders de mond vol over God?

Los van het uitgebreide en boeiende voorwoord beschrijft Herman Vuijsje in Pelgrim zonder God uiteraard zijn wandelervaringen: zijn contacten met medereizigers, mooie natuurbeschrijvingen en een vertelling over de Europese ideeëngeschiedenis. Een speurtocht naar de ankers voor moraal en spiritualiteit in een wereld waarin de kerk en traditie op hun retour lijken, zo staat op de achterkant van het boek te lezen. Ik ben blij dat er staat ‘lijken’. Zo eindigt het boek niet in een atheïstische klaagzang, maar staat de deur zelfs op een kier voor diezelfde traditie en voor diezelfde kerken.

Verheijen, Sander | Ik kan er net niet bij

De ‘chef de mission’ van Hebban, de mooiste en grootste boekencommunity van Nederland, luisterend naar de naam Sander Verheijen, heeft een bijzonder boek geschreven: Ik kan er nét niet bij. Het is een boek dat overduidelijk geschreven moést worden. Een verhaal opgedragen aan Jip (nee, niet die van Janneke…), zijn vrouw, steun en toeverlaat in voor-en tegenspoed.

Het motto voorin het boek is ontleend aan een songtekst van Thomas Acda. Met name de woorden ‘Maar wat ik schrijf ben ik echt/ Zo kan ik een beetje van de wereld aan’ blijven haken in je gedachten. En dan moet je nog beginnen met het eigenlijke verhaal.

De proloog, kort en krachtig, vat de verschillende emoties die Sander ervaart, goed samen: ‘Ze zijn net vier geworden, onze jongens. Ze zouden nu naar school moeten gaan. een échte school dan. Dat is namelijk wat de bedoeling is. Dat is zoals het hoort. Als je gezonde kinderen krijgt. een wereld die ver verwijderd is van de onze.’ In de zomer van 2007 begint het verhaal. Tijdens de eerste date met Jip stelt ze doelgericht die ene vraag of Sander kinderen wil. Een roep om duidelijkheid. Zeker geen strikvraag. Wanneer Sander bevestigend antwoordt, wonen ze kort erop samen. Ze laten er geen gras over groeien.

In veel korte hoofdstukken, die zich laten lezen als columns, vertelt Sander Verheijen in Ik kan er nét niet bij openhartig en soms een tikkeltje brutaal ( oké, oké, met een knipoog) over zijn liefde voor Jip, het mentale en fysieke proces om samen kinderen te krijgen, de geboorte van zijn tweeling Willem en Maurits, de openbaring van een aangeboren hersenbeschadiging bij Willem, de ontdekking van autisme bij Maurits en niet te vergeten zijn onbegrensde liefde voor zijn trouwe viervoeter Gant. Doordat de hoofdstukken kort zijn en de schrijfstijl eenvoudig en soms ook heel beeldend is, ga je als een speer door het boek heen. Sander is een goede observator en schildert met verve dat wat hij meemaakt met zijn gezinnetje.

Heel sterk geschreven zijn de stukken waar de ogenschijnlijk stoere Sander Verheijen zijn verdriet deelt, zijn bezorgdheid uit over de toekomst van zijn kinderen. Hij laat zich keihard in zijn ziel kijken. Dat is krachtig, dat is de mannelijke man. Durf je emoties te uiten en laat je diep in je hart kijken. Toon wat je bezielt en bezighoudt, zo is Sander ook inspiratiebron voor anderen die ‘in hetzelfde schuitje zitten’. ‘Inmiddels weet ik dat verdriet gratis wordt meegeleverd bij de geboorte van een kind. Een verplichte optie, samen met geluk. En ze vechten om het hardst voor de meeste aandacht. Zo veranderen stoere kerels in softies. (…) Ook niet waar. Die stoere kerel ben ik nooit geweest.’

Laat ik openhartig zijn. Het laatste hoofdstuk van Ik kan er nét niet bij heb ik met een brok in mijn keel gelezen. Deze column is van een bijna verbluffende schoonheid. Het moment dat de beide broertjes voor het eerst uiten dat ze van elkaar houden, is zo mooi. Zo puur aan het papier toevertrouwd. Een ding blijft dan nog over: Er is altijd hoop, ondanks moeite, zorg, verdriet en pijn. De liefde overwint alles. Want die liefde zoekt zichzelf niet, maar is altijd gericht op de ander. Dat bewijst Jip. Dat bewijst Sander Verheijen.

Eyskens, Thomas | Toen met een lijst van nu errond

Uitgeverij De Arbeiderspers heeft een duidelijke, stevige band met dichter, essayist en journalist Herman de Coninck. Al het werk van deze literaire grootheid is bij hen uitgegeven. Zo ook de biografie Toen met een lijst van nu errond. In de serie Open Domein (nr. 53) verschijnt dit standaardwerk.  Dit lijvige werk, met leeslint, is geschreven door biograaf Thomas Eyskens (1976). Hij publiceerde in 2014 een literaire wandelgids door Mechelen, de geboorteplaats van Herman de Coninck. Dit werk vormde de opmaat naar zijn biografie over De Coninck.

Een bijna 600 pagina’s dik boek, vuistdik wel te verstaan, ligt op tafel. Hardcover, mooie, typische foto van de hoofdpersoon zelf, duidelijke titel met de naam van de dichter op de voorkant. Het is in een klap helder over wie we het hebben. Toch oogt de cover ietwat rommelig. Op de achterkant wordt poëet De Coninck aangeduid met de woorden ‘misschien wel de populairste dichter van de Lage Landen’. De man ‘die zijn volk poëzie leerde lezen’. Een citaat van de man zelf mag niet ontbreken: ‘Poëzie heeft niks met enige biografie te maken, maar er is een geraffineerd soort reactie tégen.’

Het boek is ingedeeld in verschillende hoofdstukken die elk een periode beschrijven uit het (literaire) leven van Herman de Coninck. Uiteraard begint het verhaal met zijn geboorte, zijn ouders, familie, zijn jeugdjaren. De liefde voor taal, het (geschreven) woord zit er al vroeg in. Herman smulde van de Arendsoogreeks en de Bob Eversboeken van Willy van der Heide. Hij schreef over Witte Veder ( de Indianenvriend van Arendsoog, red.)een gedicht:

‘Zoals Witte Veder zijn oor op de aarde kon leggen

en mededelen dat een bende bandieten in aantocht was,

zo luister ik aan taal om te weten welke betekenis

het straks weer in mijn gedicht voor het zeggen

 

zal hebben. […]’

 

Op zijn veertiende kreeg De Coninck een literaire openbaring.  Na lezing van de eerste regels van een novelle van Karel van de Woestijne wist hij dat dit nu literatuur was. De invloed van de leraren Nederlands die hij had in zijn jeugd, was erg groot. Voordragen, voorlezen en verhalen vertellen, de leraar Nederlands is tot op de dag van vandaag nog steeds van groot belang voor het aanboren van literair talent en het verkrijgen van liefde voor taal, het geschreven en ‘beleefde’ woord.

Achtereenvolgens komen de volgende thema’s langs in deze biografie: zijn vroege (jeugd)jaren, zijn studententijd, de eerste poëzieritselingen, zijn omgang met en liefde voor vrouwen ( een van de belangrijkere onderwerpen in zijn (zintuiglijke) poëzie), zijn journalistieke werk voor Humo, zijn literaire werk (uitgebreid komen gedichten aan bod) en tot slot zijn dood. Onverwacht stierf Herman in Lissabon aan een hartaanval tijdens een congres (1997).

Het is een zeer gedetailleerde, uitgebreide biografie geworden. Uitstekend gecomplementeerd door een bibliografie, register en notenapparaat. Uiteindelijk valt het alles niet te vatten in een recensie. Dit boek vraagt erom rustig en gedoseerd gelezen te worden.

Het heden leer je kennen door  te leren van je geschiedenis. Het heden kun je begrijpen door terug te kijken. Deze biografie met de boeiende titel Toen met een lijst van nu errond doet dit op een beeldige manier. Dat is de verdienste van Thomas Eyskens.

Eerder gepubliceerd op: www.hebban.nl

Krake, Frank | De laatste getuige

De laatste getuige is het intrigerende, zeer boeiende relaas van Wim Aloserij, 94 jaar oud, maar getuige zijn foto op de voor- en achterkant van het boek, jong van geest. Met een energieke uitstraling en felle, twinkelende ogen zwaait hij, als een laatste groet, naar de lezer. Opdat wij niet vergeten…

De cover van het boek liegt er niet  om: ‘de man die drie concentratiekampen en een grote scheepsramp overleefde’, zo luidt de ondertitel van dit prachtig vormgegeven boek van uitgeverij Achtbaan. Schrijver Frank Krake heeft in dit boek het levensverhaal opgetekend van Wim. Met oog voor detail en diepgang in het verhaal weet Krake de lezer vast te houden en te boeien tot de laatste minuut.

Een voorwoord van niemand minder dan Sybrand van Haersma Buma (fractievoorzitter van het CDA), ook al even ingrijpend als ingetogen neergeschreven, vormt het begin van een aangrijpende reis: ‘Het is een monument voor Wim Aloserij zelf, die de hel overleefde, en die het moedige besluit nam om meer dan zeventig jaar later zijn verhaal te vertellen.’

Het verhaal begint in 1932, de kennismaking met de vader van Wim. Wim groeit op in Amsterdam, op Kattenburg. Een dronken vader is zijn identificatiefiguur. In die persoonlijke hel ontwikkelt hij zich tot een jonge man die later juist door de confrontaties met zijn vader de andere hel weet te overleven. De verschillende tactieken die hij in zijn jeugd had aangeleerd om zijn vader het hoofd te kunnen bieden, zorgen er mede voor dat hij de hel van de oorlog weet te overleven. Ontsnappingen, onderduikperikelen en gevaarlijke situaties en omstandigheden wisselen elkaar af.

De laatste getuige heeft een bijzonder mooie vormgeving, schitterende en persoonlijke foto’s en ligt fijn in de hand, een duidelijk lettertype is ook heel prettig. Goed dat hier aandacht aan besteed is. De laatste getuige is een verhaal dat verteld moést worden, een verhaal dat niet vergeten mag worden, een verhaal dat nooit meer beleefd mag worden.

Zweden, Aaltje van | Om wie je bent

‘We gaan steeds uit van Benjamins kracht, niet van zijn beperkingen. Zo komen we ook op het idee andere ouders te inspireren met onze ontdekkingen en ervaringen, en daarmee hebben we er een uitdaging bij.’

Aaltje van Zweden, vrouw van de wereldberoemde Nederlandse dirigent Jaap en liefhebbende moeder van zoon Benjamin, heeft een schitterende ode geschreven aan haar autistische zoon Benjamin. Maar het is meer dan dat. Het is ook haar verhaal, haar levensverhaal. Die persoonlijke geschiedenis, autobiografisch, zet ze in het heldere licht van het bewogen verhaal van Benjamin. Ogenschijnlijk losstaande gebeurtenissen hebben alles met elkaar te maken. Die verstrengeling van verhalen en gebeurtenissen maken dit boek helemaal af. Om wie je bent is gevoelvol, eerlijk en soms meedogenloos geschreven.

Om wie je bent lag al een tijdje op me te wachten. Eenmaal ter hand genomen hebbend, kon ik tot en met bladzijde 25 doorlezen, om het vervolgens even weg te leggen. Ik kon niet verder… Het verhaal kwam te dicht bij. Haar verhaal werd mijn verhaal, ons verhaal. Vol verbazing las ik passages voor aan mijn vrouw. Herkenning was het sleutelwoord. Dit is een van de redenen geweest van Aaltje om haar verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Zelf heeft ze het moeilijk gehad met de totstandkoming van het boek: ‘Want hoe doe je dat eigenlijk, een boek schrijven over je autistische zoon? Hoe tref je de juiste toon? Hoe vat je in woorden wat niet uit te drukken lijkt? Hoe breng je over welke wereld van gevoelens er schuilgaat achter het moeder worden van een kind met een handicap?’

Om wie je bent gaat over Benjamin. Gaat over Aaltje. Gaat over haar ouders. Levens raken genadeloos verstrikt met elkaar. Een boek dat gaat over vasthouden en leren loslaten. Over betrokkenheid en diepe loyaliteit aan elkaar. Over liefde die de boventoon voert. Over wilskracht, doorzettingsvermogen. Benjamin komt in 1990 ter wereld in het muzikale gezin van Van Zweden. Al snel voelt moeder Aaltje aan dat er iets mis is met haar zoon, derde kind in een rij van vier. Wanneer de diagnose autisme en een verstandelijke beperking uiteindelijk gesteld wordt, is dat uiteraard in eerste instantie een forse klap. De weg naar therapieën, allerlei ‘peuten en logen’ is hiermee gebaand. Het hebben van een kind met een handicap heeft voor het gezin Van Zweden enorme impact. Het zet relaties onder druk. Spanningen nemen toe. Aaltje stapt naar psychiater Jan Foudraine. Ze werd overvallen door hem toen hij zei: ‘Zo, en nu zullen we het om te beginnen maar eens over jou hebben.’ “Door de intensieve gesprekken kreeg ik inzicht in mijn eigen verleden, leerde ik het meisje kennen dat ik ooit was en mijn verleden accepteren.’ Benjamin gaf haar de kracht, zo kwam ze tijdens het schrijfproces van dit boek te weten. Een intensieve weg door het land en het oerwoud van de therapie volgt. Zoveel vrijwilligers die zich vol passie inzetten voor Benjamin, met grote positieve gevolgen. Aaltje die het Papageno Huis heeft opgericht, het krijgt allemaal een fraaie plaats in dit mooie boek.

 Om wie je bent is een boek dat de lezer door diepe dalen doet gaan, maar je ook brengt op grote, succesvolle hoogtes. Een boek dat een happy end kent, maar wel via omwegen je daar brengt. Verleden en heden worden prachtig, rauw en soms emotioneel beschreven. Dit boek boeit van begin tot eind door de prettige schrijftrant van de auteur. Mooie familiefoto’s verluchtigen de ernst van het verhaal.

Groot respect voor Aaltje en Jaap, voor zoon Benjamin en de andere kinderen. Familie van Zweden, ik buig voor jullie en neem mijn petje voor jullie af! Het was goed om even mee te mogen lopen en zo een inkijkje te krijgen in jullie (gezins)leven.

Krijgsman, Edwin | Ben ik nou zo slim?

Edwin Krijgsman (1960) is auteur en vertaler van verschillende sportboeken. Met ‘Ben ik nou zo slim?’ heeft hij een heerlijk boekje geschreven over de persoon Louis van Gaal in relatie tot veel van zijn taaluitdrukkingen. ‘I always did the light out’ is zo’n gevleugelde uitspraak geworden. Deze en vele andere uitspraken passeren de sportrevue.

Januari 2017: een groot sportman en coach kondigt het einde van zijn trainersloopbaan aan. ‘Ik geloof niet, dat ik terugkeer.’ Op zich al een fraaie zin, hij gooit hiermee niet definitief de deur dicht. Dat typeert Van Gaal uiteraard. Je kunt soms alle kanten met hem op, maar tegelijk ook weer niet.

Aloysius Paulus Maria van Gaal werd geboren op 8 augustus 1951 in Amsterdam. Een heel gewone Amsterdamse jongen. Een traumatische gebeurtenis is de dood van zijn vader toen Van Gaal nog maar elf jaar was. Er zijn auteurs en sportkenners die beweren dat Van Gaal hierdoor de man geworden is, die hij is. Edwin Krijgsman doet het af als ‘complottheorieën’. Toch zegt Krijgsman: ‘Wat nog niet wil zeggen dat hij er geen heeft.’ (een trauma, red.) Van Gaal beweert dat hij er niets aan heeft overgehouden. Logisch…?

Het ontbreekt Van Gaal niet aan zelfkennis. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in dit boek. Hij schreef columns, onder andere voor De Courant Nieuws van de Dag. ‘Het moet voor hem een heerlijke manier zijn geweest zijn mening te ventileren, omdat hij niet direct werd geconfronteerd met een gehoor dat door moedwil en misverstand niet begreep wat hij de wereld wilde verkondigen.’

Krijgsman beschrijft het trainersleven van Louis van Gaal bij alle clubs waar hij coach geweest is. Dit doet hij op een levendige, speelse en humoristische wijze. Je krijgt een helder beeld van Van Gaals denk- en handelwijze als coach, technisch directeur en als mens. Het boek is gelardeerd met vele citaten en uitdrukkingen. Het maakt het al met al tot een heerlijk boekje voor tussendoor of voor in het weekend bij een winters haardvuur.

Louis van Gaal: misschien wel de beste coach van de wereld. Geniet nog een keer na van alle treffende uitspraken, verhaspelingen en eigenzinnige woorden van deze grootmeester van het voetbal.

 

Isik, Murat | Wees onzichtbaar

Tja, wat moet je zeggen, schrijven over Wees onzichtbaar van schrijver Murat Isik? Het boek moet gelezen worden! Zijn verhaal raakt een gevoelige snaar bij mij. Weemoed naar vroeger tijd, zegge en schrijve de jaren 80/90 van de vorige eeuw, roept het verhaal op. Murat Isik laat met zijn grootse roman Wees onzichtbaar een oer-Hollandse jongen zich identificeren met een Turkse jongen, opgroeiend in het Nederland van mijn jeugd. Dat is uitzonderlijk knap.

Een echte literaire coming-of-ageroman, dat is Wees onzichtbaar. Metin, hoofdpersoon en alter ego van de schrijver, komt vanuit Turkije naar Nederland. Samen met vader, moeder en zus belandt hij in een flat in de Bijlmer: Fleerde. Hier brengt hij vele jaren van zijn jeugd door: ‘Ik had nergens talent voor, ik was een eenvoudige jongen uit een problematisch gezin, een gekwelde tiener uit de Bijlmer die op de verkeerde school was beland en nu dolende was.’ De teloorgang van de Bijlmer gaat samen op met die van zijn jeugdjaren. Het verval van de Bijlmer is hierdoor metaforisch te noemen voor het leven van Metin. De jonge Metin heeft het thuis niet gemakkelijk. Zijn vader is zeer onvoorspelbaar, gewelddadig, agressief. Een communist in hart en nieren: ‘Ik ben een communist. (…) Ik ben niet zoals alle anderen, ik ben geen slaaf van het kapitalisme, geen willoze volger. Ik ben een echte communist! Een beter voorbeeld kunnen de kinderen zich niet wensen.’ Zijn moeder heeft vooralsnog weinig ruggengraat om iets tegen vader in te brengen. Zijn zus is al redelijk vroeg zelfstandig en gaat haar eigen gang. Metin vreest zijn vader en maakt zich letterlijk en figuurlijk onzichtbaar. ‘We moesten geduld hebben en doorstaan wat op ons afkwam. Het had geen zin om weg te lopen voor de pijn, we konden nergens heen. En als het ons te veel werd, moesten we onzichtbaar zijn.’ Naarmate de jaren verstrijken en de kinderen ouder worden, zie je een kentering in de omstandigheden van Metin alsmede in zijn ontwikkeling. Een zeer geloofwaardige verandering treedt op bij/in de verschillende hoofdrolspelers van het boek. Met name de ontwikkeling van moeder en Metin, die zich steeds meer gaan leren afzetten tegen hun tirannieke man en vader is ontzettend ontroerend om te lezen.

Murat Isik vertelt behalve over de persoonlijke geschiedenis van Metin ook over de geschiedenis van de Bijlmer. Hij schrijft, soms in een bijzin, zo treffend over het tijdsbeeld en de geschiedenis van de jaren ’80 tot nu. Je maakt het hele verhaal echt mee. Omdat je zelf bent opgegroeid in die tijd. De films op video, kinderprogramma’s op Sky Channel en de eerste mobieltjes op de markt, herkenning alom.

Wanneer het gezin uiteindelijk verhuist naar een woning elders in de stad, schijnt de situatie in het gezin te veranderen. Maar wanneer de wind van verandering is gaan liggen, blijkt de situatie juist te escaleren. Het laatste hoofdstuk is er een van reflectie en terugblikken op vroeger. Metin is volwassen. In een soort visioen ziet hij zijn oude zelf in de flat Fleerde, dat deels gerenoveerd en deels tegen de vlakte is gegaan, weerspiegeld. Hij ziet zijn jongere ik, glimlachend, vol kinderlijke onschuld. Nog niet wetend wat de toekomst zal brengen.

Murat Isik heeft een literaire parel afgeleverd. Een boek dat erom vraagt herlezen te worden. Om zin voor zin, woord voor woord te herkauwen en… te overdenken.

Rauwerda, Peter-Paul | De negen kamers

Een nominatie voor de Dioraphte Literatour Prijs 2017: De negen kamers van Peter-Paul Rauwerda. Dat moet goed zijn! Het Juryrapport Nominaties 2017 vermeldt onder meer dat het boek de epische allure heeft van een mythe, filosofisch is en een interessante intertekstualiteit kent. Ik kan zeggen: eens, volledig mee eens!

Ik had nog nooit van de auteur gehoord en kwam het boek tegen op internet. De flaptekst sprak me aan, ik bestelde het boek en las het in een adem uit. Een fantasierijk verhaal, waarin alles mogelijk is. Waarin je ook gewoon aanneemt dat de dingen die gebeuren voorstelbaar zijn en logisch schijnen. Je wordt heen en weer geslingerd tussen feit en fictie, realiteit en irrealiteit, de werkelijkheid en fantasie. Ze lopen soms in elkaar over, zijn verbonden en verweven met elkaar. Hier houd ik van!

Wat is het verhaal? Jonas wordt al lange tijd ernstig geplaagd door zware hoofdpijnen. Juist op het moment dat hij alleen thuis is, worden ze vrijwel ondraaglijk. Er gebeurt dan iets vreemds. Er wordt op een nacht ingebroken en de inbreker laat een groot boek achter. Later blijkt enkele straten verderop datzelfde huis te staan, zomaar vanuit het niets op een braakliggend veldje. Jonas raakt geobsedeerd door het huis. Hij probeert er verschillende keren naar binnen te gaan, maar het huis houdt hem in eerste instantie tegen. Eenmaal toch binnengekomen, dwaalt hij door de negen kamers die het huis rijk is. Hij belandt in uitzonderlijke, wonderlijke situaties. Maar is dit alles nu echt of gebeuren de dingen enkel in zijn hoofd?

Tijdens het lezen moest ik denken aan de verhalen van Harry Potter en Alice in Wonderland. De bloemrijke taal doet denken aan Zafon en Garcia Marquez, aldus literair deskundigen. Een sprookjesachtige sfeer, fantasievolle omstandigheden en gebeurtenissen en zeer beeldende, poëtische zinnen, lijken Rauwerda te typeren in dit boek. Niet verwonderlijk overigens, het is zijn debuutroman. Het boek smaakt naar meer Peter-Paul Rauwerda.

Gezien de hoeveelheid ezelsoren in mijn boek, kan ik genoeg citeren. Te veel voor nu. Toch kan ik niet nalaten er enkele te noemen om op zijn minst een indruk te geven van zijn verhaal, zijn stijl.

Om aan te geven hoe ik mij kan identificeren met Jonas: ‘Jonas is een lezer. Vaak leest hij meerdere boeken tegelijk en al die personages uit al die boeken vechten om een plaats in zijn hoofd.’

Rauwerda, de taalkundige/wiskundige, vertelt: ‘Weet u dat een mens uit taal bestaat? Een mens is als een boek, opgebouwd uit zinnen. Die zinnen bestaan uit woorden. Die woorden bestaan uit letters. Alles wat leeft bestaat uit taal. Dat noemen ze DNA. Met de woorden uit die taal kun je zinnen vormen, hele lange zinnen. En daarmee kun je mensen maken, alsof je boeken schrijft.’

Hoe kijkt Jonas aan tegen religie? ‘De religieuze boeken staan fier overeind op hun eigen plekje in hun boekenkast en weigeren ook maar een millimeter op te schuiven in de richting van de andere religieuze boeken op dezelfde plank. (…) Zodra Jonas zich laat zien beginnen de boeken door elkaar te klepperen. ‘Wij bieden de enige uitweg. Laat ons je leiden naar het licht. Wij verheffen je tot het hogere.”

Rauwerda tekent ons ook de kracht van de verbeelding in taal: ‘Met verbeelding kun je uit iedere situatie, hoe ellendig ook, ontsnappen. Gebruik de verbeelding.’

De negen kamers is een veelzeggend, mooi en krachtig boek dat erom schreeuwt herlezen te worden en geregeld te overdenken. Lees maar, er staat niet wat er staat…

 

Carayon, Christian | Een zucht, een schim

Je zult maar geschiedenis- en aardrijkskundedocent zijn. Je zult maar een keigoed idee hebben voor een spannend boek, een thriller. Je zult dan ook nog eens goed kunnen schrijven. En ziedaar… Christian Carayon met zijn boek Een zucht, een schim.

Christian Carayons debuut is er een om rustig te lezen. Spannend tot en met. Maar ook een debuut om je hoofd erbij te houden. Als je denkt een snel actieverhaal te krijgen, heb je het namelijk mis. Zijn verhaal is voor publicatie al aan meerdere landen verkocht. dat zegt vaak al genoeg. Ik moet zeggen: een film zal vast niet lang op zich laten wachten. Het Franse landschap in het zuiden van het land leent zich er uitstekend voor: bergen, bossen, een meer.

Christian Carayon kiest voor een hoofdrolspeler waarmee hij zich prima kan identificeren. Geschiedenisdocent Marc-Edouard Peiresoles heet hij. Toen hij een jonge jongen was, heeft er in zijn directe omgeving een gruwelijke gebeurtenis plaatsgevonden. 3 tieners zijn op beestachtige, monsterachtige wijze om het leven gebracht op een eilandje in het meer. Gelukkig zit de moordenaar vast. Maar schuld is nooit bewezen. Reden genoeg voor een geschiedenisdocent om eens diep in deze zaak te duiken. Reden te meer om zijn eigen angst te overwinnen. Een jeugdtrauma overwinnen door met deze zaak in het reine te komen, voor deze uitdaging staat genoemde Peiresoles. Nauwgezet gaat hij te werk. Hij duikt in het verleden van alle slachtoffers en hun naasten, ‘ondergaat’ de locatie van de moorden, bijt zich vast in de vermeende moordenaar(s) en weet stapje voor stapje achter de ware geschiedenis te komen. Dan vermoedt en voelt Peiresoles dat iemand hem in de gaten houdt. Koste wat kost probeert iemand hem van het onderzoek af te houden. Zijn leven komt in gevaar.

Belangrijkste vraag in het boek: wat gebeurde er op het eiland in het meer? Rondom dit centrale gegeven ontspint zich een verontrustend verhaal. Een verhaal dat echt iets doet met de lezer. Christian Carayon weet de lezer in het hoofd te krijgen van Marc-Edouard Peiresoles. Op filmische wijze neemt hij je mee in het boek. Rustig, stap-voor-stap betrekt hij de lezer in de obsessieve zoektocht van de hoofdfiguur. Knap gedaan!

Chapeau ook voor de vertaler van dit Franstalige boek: Jaap Sietse Zuierveld. De vertaling is niet alleen nauwgezet, maar ook voelt het zo aan. De zinnen ademen Frans uit. Het boek bestaat uit verschillende delen die allen voorafgegaan worden door een citaat uit de wereldliteratuur: onder anderen De vanger in het graan en de fabel De haas en de kikkers van La Fontaine. ‘Uw rouwkleed sleept dode bladeren mee’ (Cyrano) en ‘Ik ben het kleine kind dat uw sjaal uit de zee ging halen’  (Het spook van de opera) zijn hier voorbeelden van.

Een van de slachtoffers van de moordpartij op het eiland, Florie, heeft het overleefd, ternauwernood. Maar meer dan een kasplantje is het niet, verzorgd door haar vader in Engeland. Wanneer Peiresoles hen bezoekt , zegt vader het volgende: ‘Florie tekent wel eens. Grijze, heel abstracte tekeningen. Op een groot aantal daarvan verschijnt een zwarte schim.’ (…) Ik kan het niet uit mijn hoofd krijgen dat iemand hetzelfde met mijn dochter heeft gedaan. (…) Dat het monster vlakbij was, op de andere oever, aan het feesten met de anderen. En dat hij er nog steeds is.’