Spits, Frits | De standaards van Spits 2

Indrukwekkend. Voor me ligt het tweede deel van de zeer boeiende lees- en luistergids van de meester van de taal, Frits Spits. Ach, nadere introductie van de presentator van De Taalstaat is niet aan de orde immers? De Standaards van Spits, deel 2 is een majestueuze, persoonlijke en derhalve subjectieve geschiedenis van het Nederlandstalige lied. Een genot voor het oor, een genot voor het oog, een genot voor het muzikaal geheugen.

Ronduit geweldig is dat bij dit boek 4 cd’s geleverd worden; uren muzikaal plezier, herinneringen oproepend aan reeds lang vervlogen liedjes. Soms met weemoed terugdenkend aan de ‘goede ouwe tijd’. Dan weer verrassend de wenkbrauwen omhoog, het aha-gevoel komt dan omhoog borrelen. Is het alweer zo lang geleden? Henk Westbroek met Waar ze loopt te wandelen, Boudewijn de Groot met Jimmy, maar ook Een kopje koffie van VOF de Kunst. En wat te denken van Ramses Shaffy met Zing, Vecht…? Wat volgt is een ode aan het Nederlandse lied, samengesteld door muzikaal begaafd man en neerlandicus Frits Spits. In 2 vuistdikke delen maar liefst!

Na een persoonlijke noot vooraf van Nelleke Noordervliet (‘Frits Spits leert ons te luisteren, zoals hij zelf luistert, vol verwondering, bereid tot een lach en klaar voor een traan.’) volgt de inleiding van Spits zelf, getiteld Startplaats. Het is min of meer een verantwoording van zijn liederenkeuze. ‘Het is alsof ik de regie over wat ik schrijf niet langer zelf voer. Soms is het alsof een onzichtbare hand die van mij overneemt en de pen laat schrijven. Ik ben er zelf nog het meest verbaasd over.’ Het is de hand van een andere Meester zo laat Spits doen voorkomen die hem opdraagt dit tweede deel te schrijven. Hij noemt zijn keuze een eigenwijze keuze. Hij kan ook niet anders. Het standaardwerk van Spits krijgt op deze manier wel een religieus, spiritueel getinte toon. Of het zijn bedoeling is?

Frits Spits is wat Gerrit Komrij was voor de poëziegeschiedenis. Spits behandelt in zijn korte hoofdstukken elk lied dat beluisterd kan worden middels de cd’s. Hij gaat in op de volgende zaken: arrangement, de tekstbenadering van het lied (en van ander repertoire van de zanger(es)) alsmede de uitvoering van het lied. Met gevoel voor taal (uiteraard!) en de juiste balans in zijn bespreking, neemt hij je mee door zijn boek. Bij het bespreken van het lied Suzanne van Herman van Veen zegt Frits Spits het volgende: ‘Het is als sterren kijken. Ik weet dat ik niet dichterbij kan komen, toch blijf ik het proberen omdat het verlangen om ze te leren kennen te groot is.’ De gelaagdheid van dit lied is een mysterieuze, een mystieke haast. Wil Spits die doorgronden, maar kan hij niet? Het is de moeite waard de tekst van dit lied eens te googelen. Wat Spits kenmerkt is dat hij daadwerkelijk de plaatsen bezoekt waar de liederen zich afspelen, zoals het Kronenburgerpark in Nijmegen (Frank Boeyen) en Brussel (Zjef Vanuytsel). Hij weet waar hij over spreekt. Een verdienste! Spits is eerlijk, hij durft zichzelf toe te spreken wanneer hij bepaalde liedjes vroeger niet draaide op de radio en waar hij toen de waarde op de een of andere manier niet van inzag. Nu wel…gelukkig… Spits’ reis heeft de waarde van een evaluatieve, reflectieve, soms mystieke ontdekkingstocht.

Een uitvoerige bronvermelding maakt De standaards van Spits 2 helemaal af. Dit is zo’n boek dat je wilt blijven lezen, het mag niet uit zijn. Lekker dwalen door vroeger tijd. Een muzikale reis door de wereld van poëtische liederen, carnavalskrakers en liedjes waarvan je denkt ‘moet dat nou?’ Aan te bevelen is de liederen vooraf te beluisteren, gedoseerd, om daarna de bijbehorende stukken uit het boek te lezen.

 

 

 

Martens, Lidewij | Tot je valt

Wanneer je in het verleden een leerlinge hebt mogen begeleiden die beginnende anorexia had, wanneer je weet welke impact dit heeft op het leven van een jong meisje, dan kan het niet anders zijn dan dat Tot je valt van Lidewij Martens je van de sokken blaast.

Tot je valt is verstillende proza. Kalm, kabbelend als een fris beekje in het Limburgse heuvellandschap verwoordt Martens haar heftige thematiek: anorexia. Het verhaal verloopt als volgt: Nico, veerman van een door hemzelf aangekochte pont, vaart elke dag heen en weer naar de overkant. De bouw van de nieuwe brug over het water gaat gestaag door, wetend dat wanneer de brug klaar is, het ‘vaardoek’ voor hem valt. Tegen de achtergrond van dit decor speelt het verhaal zich af. Meerdere keren in het verhaal lezen we beetje bij beetje hoe het verder gaat met de brug. Het houdt gelijke tred met de ontwikkelingen in Nico. Het gaat naar een onverbiddelijk einde. Tijdens de overtochten die hij dagelijks maakt, gaan zijn gedachten uit naar zijn dochter Geesje. Hij denkt aan hoe ze eet, hoe ze praat om hem af te leiden van haar eetgedrag- en patroon. ‘Als je echt wilt, maar dan ook echt, kun je alles.’ Ook niet eten, klinkt een stem in zijn hoofd.’

Nico worstelt steeds met de dood van zijn dochter Geesje, ze viel ten prooi aan anorexia. Op een dag ontmoet Nico een nieuwe passagier, een jonge vrouw van negentien. Ze doet hem erg denken aan Geesje. Zijn onmacht tegenover de levenslust en de wilskracht van de jonge vrouw worden op grootse wijze klein beschreven. Zoals Nico en Geesje over de grenzen van de dood heen elkaar ten diepste niet kunnen loslaten, zo blijven beide personages haken in de geheugens en harten van de lezers.

Het blijft niet bij die ene ontmoeting, Nico gaat steeds meer uitzien naar deze jonge vrouw die hem mateloos intrigeert. Ze leren elkaar steeds verder en dieper kennen. Ondertussen gaat de bouw van de brug verder…

Lidewij Martens vertelt in fraaie zinnen haar verhaal. Hoe heeft het zover kunnen komen met Geesje? Welke rol speelde de scheiding van haar ouders? Haar lichamelijke ontwikkeling en het kopen van haar eerste bh maken veel los in Geesje. Langzaam maar zeker wordt de lezer deelgenoot van Geesjes psyche, haar strijd, haar verdriet, haar pogingen om haar ouders bij elkaar terug te krijgen. In wisselende perspectieven en vele flashbacks leer je de personages goed kennen en zie je wat hen bezielt en hoe hun ‘struggling for life’ zich ontwikkelt.

‘Ze had mijn geluk niet onder controle. En ik luisterde niet. Haar lichaam luisterde wel. Het gehoorzaamde, al kon ze nergens aan denken dan aan die appel in haar tas. Als ze niet at, had ze weer gewonnen.’

Het boek bevat achterin enkele mooie leesvragen voor leesclubs en biedt stof tot nadenken en beleven voor scholieren en hun docenten Nederlands.Tot je valt is verplichte kost op alle leeslijsten literatuur in het voortgezet onderwijs alsmede voor alle hulpverleners binnen de geestelijke gezondheidszorg. Opdat we zullen herkennen, leren en.. strijden.

 

Frolke, Viktor | Het dispuut

Mag ik aan u voorstellen, vruchten, de volgende personages uit Het dispuut? ‘De lijkbleke Michiels Kessenich; de onafscheidelijke en niet uit elkaar te houden tweeling Van Voorst tot Voorst, Gabriel en Lucas (eentje miste een stukje van zijn pink, maar welke was dat ook alweer?); Desplanches met het nerveuze piepstemmetje; De Vries, die net zoals de Van Voorsten uit hetzelfde Gooise dorp bleek te komen en om die reden als een hardnekkige parasiet achter hen aan sjokte, en ten slotte Mulder, een luidruchtige dandy in driedelig grijs (…)’.

Het dispuut is een uitstekend geschreven verhaal door Viktor Frolke. Hij debuteerde in 2008 met Fake. In 2013 verscheen van zijn hand de veelgeprezen roman Zalig uiteinde. Frolke neemt je mee in een besloten, decadente studentenwereld, die van de arrogante studentenvereniging Multatuli. Tristan Oleander, de hoofdpersoon van Het dispuut, komt uit de provincie naar Amsterdam om daar als student wijsbegeerte aan de slag te gaan. Hij belandt bij Multatuli. Daar start hij als ‘vrucht’. Hij voelt een enorme aantrekkingskracht tot de vereniging, maar ervaart ook afschuw en afkeer ervan. In deel 1 lees je zijn wedervaringen als vrucht, de stevige ontgroeningsrituelen op weg naar de definitieve inlijving in het dispuut. Je maakt kennis met alle figuren met hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Aan het begin van deel 2 ondernemen de studenten van het dispuut een reis naar Lebak, Indonesië, de bakermat van de Max Havelaar van Multatuli. Een jaarlijks uitje dat nu zeer tragisch eindigt. Een van de studenten komt om het leven. Moord in eigen gelederen. Tristan twijfelt meer en meer aan zijn deelname aan de club. Maar eenmaal lid, ben je dat voor het leven.

Het laatste deel beslaat de volwassen jaren van Tristan, die geobsedeerd door een sterk rechtvaardigheidsgevoel, besluit om de waarheid te achterhalen rondom de dood van de student. Hij zal de studenten van toen ter verantwoording roepen voor een speciaal opgericht tribunaal. Het eind van het verhaal laat de lezer dermate in het ongewisse, dat je een reden te meer hebt om het boek te gaan herlezen.

Frolke weet de wereld van de decadente studenten heel goed te beschrijven. Heeft hij er zelf deel van uitgemaakt? Het boek dat een ‘Voskuilsiaanse’ (genoemd naar de auteur J.J. Voskuil) inslag heeft, mondt uit in een ietwat duistere en beklemmende thriller. Het taalgebruik is goed te noemen, lovenswaardig is de geheel eigen woordenschat van de studenten: vrucht voor beginneling, poep voor geld en goud voor leuk. Negatief taalgebruik is er ook, passend bij de setting waarin het verhaal is ingebed. De personages worden boeiend neergezet, van student naar volwassen man. Tegelijk maken enkelen van hen een (interessante) ontwikkeling door.

Het verhaal is literair: er zijn voldoende motieven aan te wijzen, het hanengevecht in Indonesie (deel 2) waar de studenten getuige van zijn, is een metafoor van de omgang tussen de studenten, er zijn mooie verwijzingen naar werk van Multatuli alsmede over de schrijver zelf. Ze hebben een prima toegevoegde waarde. Filosofische uitspraken in het hele verhaal zetten de lezer op scherp, zetten tot nadenken aan. Ook, en dat zou je niet direct verwachten in het boek, wordt er een passage uit Psalm 94 geciteerd dat spreekt over de gerechtigheid. Een belangrijk motief in het boek voor de hoofdpersoon Tristan: ‘God van vergelding, verschijn in luister. Verhef u, rechter van de aarde, geef de hoogmoedigen hun loon. Hoelang nog zullen de wettelozen juichen, de onrechtvaardigen het hoogste woord voeren en trotse taal uitslaan?’ (…)

Kortom, Viktor Frolke heeft een veelzijdig en goed doordacht verhaal aan het papier toevertrouwd.

 

 

 

 

Oz, Amos | Zwarte doos

Z
In  Zwarte doos spat het venijn van de pagina’s. Ilana Sommo-Brandstetter, haar ex-man Alexander (Alec) Gid’on en haar huidige echtgenoot Michaël Sommo laten in hun brieven een ontluisterend beeld van een ingewikkelde relatie zien. Zoals een zwarte doos de toedracht van een vliegtuigongeluk openbaart, zo laten de brieven zien wat er is gebeurd in de levens van de hoofdpersonages.

Boaz, de zoon van Ilana en Alec, is de aanleiding voor het briefcontact. Hij is een moeilijke, soms zelfs gewelddadige jongen, waar Ilana geen raad meer mee weet. Ook Michaël Sommo, zijn streng religieuze stiefvader en fanatiek aanhanger van de groot-Israëlpolitiek, die probeert Boaz uit de problemen en op het rechte pad te krijgen, lijkt weinig te kunnen uitrichten. Ilana hoopt dat Alec Gid’on zijn invloed kan laten gelden.

Uit de brieven vol taalfouten die Boaz schrijft, leren we een beschadigde jongen kennen. Hij heeft ernstig geleden onder de slechte relatie van zijn ouders en is op zoek naar zichzelf.  Zijn onbeholpen verwoorde pijn en frustratie roept sympathie op. Hij is de persoon met wie ik me het meest verbonden ben gaan voelen.                                             De brieven tussen Ilana en Alec laten zien dat liefde en haat twee kanten van dezelfde medaille zijn. Ze tonen de tragiek van twee mensen die elkaar uiteindelijk niet los kunnen laten. Dit wordt zichtbaar als Alec, die terminaal ziek is, en Ilana de laatste fase van het leven van Alec samen doorbrengen in het huis van Boaz. Het kind verenigt de ouders? Of kun je niet spreken over verzoening?

Ook in Zwarte doos schuwt Amos Oz de politieke verdeeldheid in Israël niet. Michaël Sommo krijgt alle ruimte in zijn brieven om zijn opvattingen over de Groot-Israëlgedachte te verwoorden en het is met name Boaz die daarnaast zijn eigen idealen laat zien. Ook in de brieven die Alec en Michaël uitwisselen komen de politieke tegenstellingen aan de orde. Het heeft iets komisch dat Alecs geld ondanks zijn afkeer van Michaëls opvattingen gebruikt wordt ten bate van de Groot-Israëlgedachte.

Boaz krijgt de beschikking over het verwaarloosde landgoed van zijn vader en daar ontstaat een soort commune. Geen groots politiek project maar simpel het opknappen van het huis en het vruchtbaar maken van het verwaarloosde land wordt het levensdoel van Boaz. “Vrijheit blijheit. Het is hier geen Kiriat Arba (streng religieuze gemeenschap) iedereen doet waar hij zin in heeft zolang ze maar hard werken elkaar goed behandelen niemand op de zenuwen werken en elkaar niet de les leezen.” Hiermee neemt hij duidelijk afstand van de opvattingen van zijn stiefvader. Toch tonen de brieven tussen Boaz en Michaël, ondanks de grote verschillen en de soms harde toon, een betrokkenheid en waardering die het onbegrip soms kan overstijgen.

Opnieuw heeft Amos Oz een briljant werk geschreven. Door te kiezen voor een roman in briefvorm kun je steeds in het hoofd van een ander personage kruipen. Je ervaart zo aan den lijve de complexiteit van de onderlinge relaties. Zwarte doos : een onthullend en onthutsend verhaal.

Oz, Amos | Panter in de kelder

..Panter in de kelder speelt zich af in  het Jeruzalem van 1947  in de nadagen van het Britse Mandaat over Palestina. De oprichting van  de staat Israël en de bevrijding van de gehate Britten is aanstaande. In Panter in de kelder beleven we vanuit het perspectief van de twaalfjarige Profi (professor) deze hectische periode.

Als de avondklok in Jeruzalem is ingegaan, worden verzetsgroepen actief en dat spreekt tot de verbeelding van Profi. Samen met zijn vriendjes richt hij ook een ‘verzetsgroep’ op.  Samen maken ze plannen voor een aanslag op de Engelse koning of zijn vertegenwoordiger, de Hoge Commissaris, in Jeruzalem. Ook zijn ouders zijn op hun eigen manier betrokken bij verzet tegen het Britse Mandaat. Profi’s vader, een studeerkamergeleerde, schrijft opruiende pamfletten en zijn moeder verleent eerste hulp aan gewonde verzetsstrijder.

Als Profi op een avond na het ingaan van de avondklok nog op straat loopt, wordt hij aangehouden door een Engelse politieagent: Stehphen Dunlop. Hij blijkt zeer geïnteresseerd in de Hebreeuwse taal en vraagt Profi hem daarbij te helpen.  In ruil daar- voor biedt hij  hulp bij het leren van Engels. Dit plaatst Profi voor een dilemma: de Engelsen zijn hun vijanden. Mag je dan op min of meer vriendschappelijke wijze met hen omgaan? Ben je dan geen verrader van je eigen mensen? Of kun je dit contact gebruiken voor je eigen doelen en spioneren in het belang van je eigen land?

De conclusie van zijn vriendjes uit de verzetsgroep is duidelijk: ‘Profi is een laaghartige verrader’. Maar is hij dat ook, zo vraagt Profi zich gedurende het hele boek af. Wat is verraad eigenlijk? Deze vraag bepaalt uiteindelijk het thema van dit prachtige boek.

Deze kwestie houdt de verteller jaren later nog steeds bezig. Net als de jonge Profi probeert hij door het spelen met de taal de wereld om zich heen te  ordenen en te begrijpen. Knap weet Amos Oz hier door dit spel met woorden te laten zien dat er altijd verschillende kanten aan een zaak zitten. De jonge Profi realiseert zich al dat het denken in vijandsbeelden nuance behoeft en jaren later wordt dit bevestigd in de woorden van de volwassen Profi.

Profi vertegenwoordigt in meer dan een opzicht Amos Oz zelf. Zowel het leven van Profi en Oz, als de ontwikkeling in het denken van Profi en Oz vertoont overeenkomst.

Amos Oz geeft ons met Panter in de kelder een boek om met veel aandacht te lezen. Het fijnzinnige taalgebruik, zoals de prachtige beschrijvingen van de boekenkasten van Profi’s vader, en de karakterisering van de personages vanuit Profi’s perspectief maken Panter in de kelder  naast de tijdloze thematiek tot een juweeltje.

Toorenaar, Jaap | Mijn vader zei altijd

Jaap Toorenaar schreef, in samenwerking met het Genootschap Onze Taal, de opvolger van Mijn moeder zei altijd. Het is een keurig verzorgd boekje geworden met heerlijke gezegdes en uitspraken die een lach en een traan oproepen, die herkenbaar zijn of volstrekt onbekend zijn, maar die je wilt gaan bezigen in de toekomst.

Mijn vader zei altijd bevat vele spreuken, gezegdes, intieme spreekwoorden en prachtige uitspraken over tal van onderwerpen: maaltijden, mannen en vrouwen, armoede en rijkdom, levenslessen, alsook items die schuren, op het randje zijn, zoals de categorie Niet bestemd voor kleine kinderen en De dood.

Toorenaar heeft bij het schrijven en samenstellen van dit boekje hulp gehad van honderden mensen die hun uitspraken instuurden na een geplaatste oproep in het taalblad Onze Taal. Ook wijdde dit tijdschrift enkele artikelen aan de mooiste uitspraken van ouders en grootouders. Toorenaar (Wilhelminadorp, 1954) is relatief onbekend, maar is een stuk bekender vanwege diverse reclameslogans die hij heeft bedacht, waaronder: ‘Calvé pindakaas. Wie is er niet groot mee geworden?’ en ‘Een beter milieu begint bij jezelf.’ Behalve met non-fictie hield hij zich ook bezig met het schrijven van en kinderboek: De jongen met de tien gezichten.

Uiteraard mogen in deze recensie enkele interessante uitspraken van ouders en grootouders niet ontbreken:

Als iemand in z’n neus peuterde, klonk het bij ons: ‘Je probeert zeker binnendoor een vuiltje uit je oog te halen.’

‘Gezondheid is niet alles, maar zonder gezondheid is alles niets.’

‘Opvoeden is jezelf overbodig maken.’

‘Familie is als medicijnen. Je moet ze doseren.’

Ook religie komt hier en daar aan bod, de ene keer ironisch, de ander keer serieuzer. ‘Wie moppert op het weer, die moppert op de Heer.’

Jaap Toorenaar heeft met Mijn vader zei altijd een boek geschreven/samengesteld dat uitnodigt tot lezen en herlezen. Leuk om in vakantietijd tot je te nemen.

 

Asman, Willem | Enter

Enter is het eerste deel van een trilogie, geschreven door Willem Asman. Asman is geen kleine jongen in het genre, eerder werk werd genomineerd voor de Diamanten Kogel en de Gouden Strop. Het tweede deel verschijnt in november 2017, getiteld Error. De trilogie gaat over de geheimzinnige organisatie Rebound.Met Enter heeft Asman een prima thriller geschreven.

Enter vertelt over Tyler en haar dochter Charlie, woonachtig in Amsterdam. Moeder woont onder een nieuwe naam in een doorsneebuurt van de hoofdstad. Beiden zitten in een getuigenbeschermingsprogramma. Wanneer Charlie op een dag erachter komt dat haar vader nog leeft, besluit ze hem op te zoeken. Maar dit is niet zonder gevaar en wanneer ze dan ook een afspraak maakt met iemand die meer kan vertellen over haar vader, wordt ze vlak voor de afgesproken tijd in een busje getrokken en gekidnapt. Vanaf dat moment ontvouwt zich een heerlijk plot.

Moeder Tyler belt uiteraard direct de organisatie om ze te vertellen van de ontvoering. Maar dan blijkt dat deze organisatie en haar getuigenbeschermingsprogramma niet bekend is met haar zaak. Wat is echt? Wie vertelt de waarheid? Het grote waarheid-en-leugenspel kan beginnen.

Enter heeft veel elementen in zich die het tot een goede thriller maken: een geheime organisatie, veel onzekerheid, waarheid en leugen die elkaar snel afwisselen, flink portie wantrouwen, veel spanning en boeiende personages en tot slot de nodige plotverrassingen. Boven de verschillende hoofdstukken staat telkens precies beschreven waar het zich afspeelt, in welke tijd en op wie de focus ligt. Vanuit wisselende perspectieven komt het verhaal tot je. Dat maakt het geloofwaardig. Het boek heeft een mooie cover, ligt prettig in de hand en heeft een mooie bladspiegel.

Enter eindigt met een geweldige cliffhanger die de lezer reikhalzend doet uitzien naar het tweede deel. Een klein stukje van dat deel staat achterin het boek, een prima opwarmertje voor Error.

 

Oord van den, Steffie | Honkvast

Steffie van den Oord, schrijfster en journaliste, brengt in haar nieuwste boek Honkvast een boeiend thema ter sprake: zeer oude mensen. Hoogbejaarden die je niet moet ‘verpotten’. Bijna hun leven lang wonen ze op de plek waar ze zijn opgegroeid. Van den Oord zocht en vond.

Met 15 hoogbejaarden heeft ze een interview. Dat levert voor Honkvast spraakmakende, ontroerende en soms grappige verhalen op. Elk interview wordt voorafgegaan door een quote uit het interview. Een motto uit het leven gegrepen. Het levensverhaal van Mia Lukkezen – Mom is ontroerend: ‘Elke zomer stonden die grafjes in bloei. Drie zusjes en een broertje. Ik tuinierde dus al vroeg.’

Het geloof speelt in sommige levens geen rol van betekenis. Het komt wel ter sprake. Mia vertelt over de dood van haar man: ‘Schrikken deed ik niet; we gaan toch, wist ik als kind al. Allemaal. Hij heeft geen doodsstrijd gehad. Dat vind ik zo nutteloos, die verlies je uiteindelijk toch.’ Met veel gevoel voor de mensen die ze interviewt, integer ook, beschrijft en vertelt Van den Oord de taal van haar ‘personages’, de soms oude riten of gebruiken, maar ook de literaire veelzijdigheid die bepaalde mensen in haar boek ten toon spreiden: zo verzamelt de een misdaadromans (enkel Agatha Christie), de ander citeert Multatuli: ‘Ik weet niet of wij zijn geschapen met een doel, of maar bij toeval daar zijn. Ook niet of een God of goden zich vermaken met ons leed… Als dit zo was, zou het vreselijk zijn.’  Met dit citaat geeft de geïnterviewde gelijk haar levensvisie mee.

Honkvast is een prettig boek, dat vlot leest. Het roept herinneringen op aan vroeger tijd. Je proeft de sfeer, ruikt de geur van het platteland, ervaart de weidsheid van het landschap rondom de bejaarde mensen. Met enige weemoed lees je de verhalen van oude huizen en de mensen die blijven. Het zeer persoonlijke levensverhaal van Stientje Kramer-Brands uit Urk is er een van intense schoonheid, puur en diep verdrietig. Onno Jan Hazekamp, een van de bejaarden, geeft nog een laatste levenswijsheid mee: ‘Geniet van het leven, had ik gelezen in de Bijbel, ook als je oud bent.’

Goossens, Johan | Jongens, ik wil nu toch echt beginnen

Johan Goossens heeft een heerlijk, ontspannen boekje geschreven met columns over zaken die hem uit het hart gegrepen zijn. Goossens is schrijver en cabaretier. Daarnaast heeft hij ook nog tijd voor de klas te staan op een ROC ergens in de Randstad. Een veelzijdig type dus. Met de bundel Jongens, ik wil nu toch echt beginnen toont hij je een kijkje in zijn hoofd, in de keuken van het lesgeven aan een ROC en wil hij laten zien dat een beetje gay oké is.

De cover toont een heerlijke titel, die voor docenten in het VO en het MBO ongetwijfeld meer dan bekend in de oren zal klinken. Het bekende papieren vliegtuigje dat in het klaslokaal circuleert en meestentijds over het hoofd van de docent scheert, zal niet minder bekend voorkomen. Johan Goossens zet met deze ‘schrikbarende’ titel gelijk alles op scherp. En je gaat als lezer er maar eens goed voor zitten.

De eerste column getiteld ‘Centraal station’ vertelt het verhaal van Samira, een leerlinge die de hele dag door Allah-poëzie schrijft en hem verheerlijkt. Ze zet middenin de nacht op Facebook een berichtje voor Johan dat hij morgen vooral niet moet komen op het Centraal Station. ‘Ik waarschuw u, omdat u mijn leraar bent’. Johan appt gelijk een collega, half twee ’s nachts ( en uiteraard nog wakker). Wat te doen? Een heftig onderwerp, dat ( en daarvoor is het een column en moet het vooral lichtvoetig blijven) met een heerlijke anti-climax eindigt.

In een andere column, getiteld ‘Diploma-uitreiking’, beschrijft Johan Goossens op hilarische wijze een gesprek onder docenten na afloop van de diploma-uitreiking. Uiteraard ‘met een biertje, een wijntje en gemopper.’  Elk jaar weer duurt de diploma-uitreiking veel te lang. Maar, zo eindigt Johan: ‘En hoe zelfbewust mijn collega’s ook zijn over hun met pijn en moeite gefiguurzaagde teksten, de leerlingen zie je glunderen als ze toegesproken worden. Het kan hun niet lang genoeg duren.’

Johan Goossens is erg goed in het kort en krachtig, trefzeker neerzetten van personen die hij in binnen- en buitenland tegenkomt. Ik moet eerlijk zeggen dat ik zijn columns over en vanuit het onderwijs het leukst en best vind. Dat zal zeker te maken hebben met het feit dat het zo herkenbaar is. Daarom is het boekje sfeervol en echt leuk om te lezen voor mensen die werkzaam zijn in het onderwijs. De zaken vanuit zijn privéleven, hij is bijvoorbeeld zelf homo, raken me niet en zijn qua woordkeuze en leefwereld zeker niet de mijne.

 

 

 

 

Hollander, den Loes | Duivelspact

Loes’ op een na nieuwste thriller is een strak gecomponeerde en bizarre thriller. Duivelspact gaat over Marijn Bentink van Heemstede. Wanneer ze in haar trouwjurk staat te wachten op haar aanstaande man, verongelukt hij op weg naar zijn bruid. De zwartste dag uit haar leven geeft ze uiteindelijk een plaats. Wanneer er signalen zijn dat het ongeluk van Roel geen ongeluk was, bezint ze zich op wraakacties die zich ten volle richten op de geliefden van de daders die het ‘ongeluk’ veroorzaakt hebben. Zij moeten dood. Wanneer verschillende acties van haar kant lijken te lukken, krijgt ze informatie die de hele tragische, noodlottige kwestie opnieuw op zijn kop zet. Gaat ze verder voor wraak? Of kiest ze de kant van vergeving? Naast dit hoofdverhaal speelt Marijns relatie tot haar moeder een belangrijke rol in het verhaal. Een ernstig aangrijpend verhaal vanuit haar jeugd zindert door in het heden en heeft zeker gevolgen voor de toekomst…

Duivelspact is een typische Den Hollander-thriller. Goed opgebouwd qua thematiek, plotontwikkeling en karaktertekeningen. Het thema getuigt van creativiteit en originaliteit bij Den Hollander. Je merkt dat er goed over nagedacht is. Het plot zit verrassend goed in elkaar, een meeslepend verhaal wordt verteld vanuit verschillende perspectieven. Zo krijg je het geslepen verhaal van verschillende ‘diamantzijdes’ mee. En schittert het verhaal door de ogen van de diverse hoofdpersonages. De karakters zijn realistisch. Niets menselijks is hen vreemd. Er zitten aan mensen altijd donkere kanten, Loes den Hollander houdt ze goed tegen het licht.

Ik vind het knap dat een auteur als Den Hollander boek na boek weet te schrijven zonder dat het een keer saai wordt, dat is zeker haar verdienste. Het zijn verhalen die soms bizarre trekjes vertonen, maar qua menselijkheid realistisch overkomen. Boeiend is ook dat Loes vrouwen de hoofdrol laat spelen, als man heb ik bij Loes’ boeken daar zeker geen bezwaar tegen. Niet iedere auteur kan me boeien met een vrouwelijke hoofdrolspeler. Loes weet dit altijd wel voor elkaar te krijgen!

‘Vandaag is het vijf jaar geleden dat drie dronken vrienden mijn leven vernielden. Ik weet wie ze zijn, met wie ze zijn, waar ze wonen. Dat moest ik te weten komen om toe te kunnen slaan als de tijd rijp zou zijn. En de tijd is rijp.’