Vlugt, Simone van der | Wij zijn de Bickers

Simone van der Vlugt - Wij zijn de Bickers!

Simone van der Vlugt staat garant voor spannende fictie, vaak met een historisch onderwerp. Met Wij zijn de Bickers!, een verhaal over de beroemde Amsterdamse familie Bicker, waagt zij zich op het terrein van de non-fictie. Op basis van oude documenten als onder andere notulen van een rechtszaak, een kasboekje, documenten over de bouw van het stadhuis op de Dam, privécorrespondentie en dagboeken slaagt Van der Vlugt er in de Bickers tot leven te brengen. Wij zijn de Bickers! begint aan het begin van de zestiende eeuw met Pieter en Anna Bicker-Codde en eindigt in tweede helft van de zeventiende eeuw. 

En de familiegeschiedenis is indrukwekkend: in betrekkelijk korte tijd weet de familie Bicker zich een positie in Amsterdam te veroveren die er niet om liegt, zowel zakelijk als op politiek terrein. De invloed op het stadsbestuur is niet te onderschatten gedurende met name de zeventiende eeuw! De Bickers zijn echte voorbeelden van Hollandse koopmansgeest en laveren, soms met een zeker opportunisme, tussen de verschillende partijen door om zo hun eigen positie te versterken. 

Van der Vlugt neemt haar lezers niet alleen mee in een interessante familiegeschiedenis, maar ook op een boeiende reis door de geschiedenis van Amsterdam en het ontstaan van De Republiek der Zeven Verenigde Nederland die je door de ogen van de Bickers mee mag maken. Kerkelijke twisten tussen Rooms-Katholieken en Protestanten, de oorlog met Spanje, de slavenhandel, de relatie van de Amsterdamse regenten met de Oranjes,  handelsoorlogen en slavenhandel passeren onder andere de revue en tillen het werk boven een familiegeschiedenis uit. 

Portretten van verschillende Bickers, fragmenten uit archiefstukken, afbeeldingen van schilderijen en landkaartjes verlevendigen de tekst en zijn een informatieve aanvulling op het verhaal. Wie zich nog verder zou willen verdiepen in de geschiedenis van de Bickers kan gebruik maken van het uitgebreide overzicht van de door Van der Vlugt gebruikte informatie.

Ik heb het lezen van ‘Wij zijn de Bickers!’ als een plezierige wandeling door Amsterdam en de geschiedenis van een van zijn bekendste families ervaren en me terug gewaand in voorbije eeuwen waarbij je ook nog zoveel herkent uit het huidige Amsterdam! Wat mij betreft is Van der Vlugt geslaagd met haar eerste non-fictieboek!

Kagge, Erling | Het plezier van wandelen

Erling Kagge - Het plezier van wandelen

Ik ben nogal een wandelaar. Menig uurtje heb ik met medeblogger Willem van Hartskamp wandelend doorgebracht. Ik denk zelfs dat wanneer je het zou onderzoeken de combinatie van de hobby’s wandelen en lezen een veel voorkomende zou zijn. Het zijn allebei een soort ‘trage’ activiteiten, die veel tijd kosten, maar waarbij de voldoening erg diep is. Voor mij dus wel een soort logisch dat de Erling Kagge, auteur van het boek Het plezier van Wandelen, uitgever is.

Erling Kagge beschrijft in het boekje de voordelen van wandelen. Hij onderbouwt die met zijn eigen ervaringen. Hij wandelt ontzettend veel, met als extreemste locatie de riolen van New York. Daarnaast strooit hij met quotes van grote schrijvers. Ik citeer even een willekeurige, over Maurice Merleau-Ponty, Immanuel Kant en Descartes:

Sommige mensen doen aan vasten, meditatie, ze nemen een pilletje of ze bidden om deze toestand te bereiken; bij mij gebeurt het tijdens het lopen. De filosoof Immanuel Kamt, die elke middag om halfvier graag een korte wandeling maakte, hield zich in zijn boek ‘Dromen’ bezig met dezelfde materie – en inspireerde daarmee weer Merleau-Ponty. Als we proberen te beschrijven waar de ziel is, zouden we moeten zeggen: ‘Waar ik voel, daar ben ik. Ik ben net zoveel aanwezig in mijn vingertoppen als in mijn hoofd (…) mijn ziel is volledig aanwezig in mijn hele lichaam en volledig aanwezig in elk van zijn onderdelen.’ Een praktisch ‘ik loop’ komt voort uit het ‘ik denk’ van Descartes.

Wat goed is komt langzaam

Het boekje ademt een sfeer van terug naar de basis, slow living, good things take time. Dat is een gevoel wat ik steeds vaker tegenkom in boeken, gesprekken, vakantiekeuzes enzovoort. Veel mensen ervaren de hectiek van het leven in de 21ste eeuw als een last en burnout wordt een volksziekte genoemd. Wandelen, zo stelt Erling Kagge, biedt een gezond tegenwicht.

Om vrij te kunnen zijn zouden mensen, zoals Heidegger benadrukt, bereid moeten zijn om moeite te doen. Als je kiest voor de weg van de minste weerstand, zal het alternatief dat de minste problemen met zich meebrengt altijd voorrang krijgen. Je keuzes liggen vast en je leeft niet alleen een onvrij, maar ook een saai leven. In het leven draait alles zo vaak om snelheid. Lopen gaat langzaam. Het is daardoor een van de radicaalste dingen die je kunt doen.

Het boekje is dus een steun in de rug voor wie wel eens moet verantwoorden waarom hij tijd in wandelen steekt. En een motivatie voor iedereen die er wel zin in heeft maar zich er de tijd niet voor gunt. Het boekje gaat wel erg ver: zo’n beetje het hele leven wordt met wandelen verklaard, bijna elk probleem kun je met wandelen oplossen. Dat lijkt mij niet reëel, maar daar wordt het boekje niet minder aantrekkelijk door.

Polak, Chaja | De man die geen hekel had aan Joden

“Alles kan van iemand worden afgenomen behalve één ding: de laatste van de menselijke vrijheden, en dat is dat iemand in alle gegeven omstandigheden kan kiezen welke houding hij aanneemt. Elk moment is een keuze.”  Met dit citaat van Viktor Frankl,  een neuroloog en psychiater, maar vooral ook bekend als overlever van de holocaust, besluit  Chaja Polak ‘De man die geen hekel had aan Joden’. Polak schreef dit boekje naar aanleiding van een interview met Isabel van Boetzelaer in de NRC van 20 maart 2017. Dit vond plaats ter gelegenheid van de verschijning van haar boek ‘Oorlogsouders: Een familiekroniek over goed en fout in twee adellijke families’.  In dit boek is een belangrijke rol weggelegd voor haar vader, Willem baron Van Boetzelaer. Hij deed  tijdens de Tweede Wereldoorlog vrijwillig dienst bij de Waffen-SS, heeft gevochten aan het Oostfront en was later werkzaam bij de Sicherheitsdienst. Hij zou door zijn schoonfamilie overgehaald zijn tot deze keuze, met name vanwege het grote gevaar dat het communisme, waar de nationaalsocialisten tegen streden,  voor de adel vormde .

Isabel van Boetzelaer is daarom zeer mild in haar conclusies: haar vader had uit idealisme de kant van de nazi’s gekozen, weliswaar een foute keuze, maar over betrokkenheid bij zaken als de vervolging van Joden en andere oorlogsmisdaden  zwijgt ze. In ieder geval had haar vader geen hekel aan Joden, zo is Isabel altijd verteld. Ook haar opa van moederskant heeft een fout oorlogsverleden en dat wordt door Van Boetzelaer  zo goed als verzwegen.

‘De man die geen hekel had aan Joden’  heeft drie lijnen die elkaar steeds kruisen. Chaja Polak, Van Voorst, Chaja’s broer Hans en historica Evelien Gans maken een documentaire over de gebeurtenissen die op 22 april 1944 op het onderduikadres waar Chaja en haar ouders verborgen werden, hebben plaatsgevonden. Haar ouders worden gearresteerd en gedeporteerd, naar wat blijkt onder verantwoordelijkheid van Willem van Boetzelaer.. De man die geen hekel aan Joden had, werkt wel mee aan hun vervolging. Valt dit te verzwijgen of te vergoelijken? Hoe zit het met zijn verantwoordelijkheid? Als hij geen hekel aan Joden had, had hij toch een andere keuze kunnen maken?

Chaja Polak heeft grote moeite met de wijze waarop Van Boetzelaer de geschiedenis weergeeft. Er is volgens haar zeer selectief en  in verhullend taalgebruik met de feiten omgesprongen. De daden van vader Van Boetzelaer worden min of meer begrijpelijk gemaakt en lijken daardoor minder erg te worden.  Polak voelt zich geroepen een reactie te geven, zeker als ook uit onderzoek van publicist Maarten van Voorst blijkt dat in ‘Oorlogsouders’  bepaalde feiten, al dan niet bewust, onvermeld blijven.

Polak heeft, naast haar bezwaren tegen het boek als zodanig, ook  grote moeite met de positieve ontvangst van ‘Oorlogsouders’ door prominenten als Ad van Liempt en Alexander Münninghoff. Wij doen volgens Polak de geschiedenis onrecht door de misdaden die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog zijn gepleegd in verzachtende woorden te verhullen en foute keuzes te vergoelijken.  Daar mogen we geen begrip voor opbrengen. Daders hebben altijd een keuze en zijn daarom ook altijd verantwoordelijk! Diepe indruk maakt dit boekje door de persoonlijke verhaallijn: het is het verhaal over Polak zelf en haar ouders. Zij heeft recht van spreken!  Dit boekje verdient het door velen gelezen te worden ‘opdat wij niet vergeten’.

Baay, Reggie | Het kind met de Japanse ogen

In ‘Het kind met de Japanse ogen’ ga je met Reggie Baay op reis naar Thailand en diverse eilanden van voormalig Nederlands Indië. Een zoektocht naar een deel van het leven van zijn ouders, waar hij nauwelijks iets van weet. Dit verleden heeft echter wel een enorme impact op hem en zijn broer gehad tijdens hun jeugd. Een verzwegen verleden, een veelheid aan geheimen waar nooit anders dan in bedekte termen over wordt gesproken, roept vragen op en maakt onzeker. De angst en pijn van zijn ouders was voelbaar , maar er werd niet gesproken, geen woorden aan gegeven.

Als beide ouders van Baay zijn overleden, treft hij bij het opruimen van hun spullen een schoenendoos aan. Daarin bevinden zich allerlei fotonegatieven, documenten en dagboeken. En dan is er ruimte voor een  zoektocht naar antwoorden. De locaties waar de foto’s genomen zijn, voeren hem naar diverse plaatsen in Thailand en Indonesië. Tijdens deze reis ontrafelt hij het verleden en tragische leven van zijn ouders en zijn broer,  het kind met de Japanse ogen.

Zijn vader is een zoon van een Indo-Europese vader en een Javaanse bijvrouw. In 1939 tekent hij als twintigjarige voor het Koninklijk Nederlands- Indisch Leger. Als in 1942 Nederlands Indië door de Japanners bezet wordt, gaat hij in krijgsgevangenschap en maakt de verschrikkingen aan de Birma-spoorlijn mee. Hij overleeft de vreselijke ontberingen en hoopt terug te keren naar zijn familie en de draad van zijn leven weer op te pakken. Tijdens een herstelperiode in Thailand blijkt van zijn plannen echter niets terecht te komen. De Nederlandse overheid is inmiddels  in conflict met Indonesische onafhankelijkheidsstrijders en dit neemt steeds gewelddadiger vormen aan. Militairen van het KNIL, in dienst van de Nederlandse overheid, worden ingezet tijdens de zogenaamde politionele acties en voor de vader van Baay en vele anderen betekent dit dat zij tegen hun eigen landgenoten moet vechten. De fotonegatieven uit de schoenendoos geven een beeld van deze ervaringen.

Ook Baays moeder heeft als meisje en jonge vrouw op Sulawesi veel ellende gezien en ervaren en trauma’s opgelopen tijdens de Japanse bezetting en onafhankelijkheidsoorlog.

Als in 1949 Indonesië onafhankelijk wordt, vertrekt het gezin Baay, vader, moeder en zoon, naar Nederland. Het verleden reist echter mee en zowel vader als moeder worden geteisterd door hun herinneringen en trauma’s. In ‘Het kind met de Japanse ogen’ geeft Baay een beeld van zijn jeugd die bepaald is door een vader die lijdt aan paniekaanvallen en nachtmerries en een moeder die soms letterlijk vastloopt in haar herinneringen.  Het feit dat de ogen van de oudere broer van Baay vanwege hun stand doen herinneren aan de ogen van de Japanners, maken het er niet gemakkelijker op: een dagelijkse herinnering aan degenen die hun alle ellende hebben aangedaan.

In ‘Het kind met de Japanse ogen’ reis je als lezer mee in een stukje koloniale geschiedenis, maar het laat  vooral zien wat deze geschiedenis voor mensen van vlees en bloed betekent. Het is verschrikkelijk wat vader Baay heeft meegemaakt onder de Japanners en hij is voor bijna onmogelijke dilemma’s geplaatst in de strijd tegen zijn eigen landgenoten. Fysiek zal de periode in krijgsgevangenschap wellicht het zwaarst zijn geweest, moreel gezien was de strijd tegen de vrijheidsstrijders waarschijnlijk nog veel zwaarder. Baay geeft inzicht in de rol die de Nederlandse overheid heeft gespeeld en de wijze waarop zij de Indo-Europese KNIL-militairen heeft gebruikt voor haar eigen belangen. Een bijdrage waarvan deze militairen de impact op hun persoonlijk leven hun hele leven hebben moeten meedragen. Een bijdrage die van de kant van de Nederlandse overheid en het Nederlandse publiek nauwelijks enige vorm van meeleven, laat staan waardering, heeft opgeleverd.

‘Het kind met de Japanse ogen’ is spannend en zet je aan het denken. Het gaat over een periode uit onze geschiedenis die niet  vergeten mag worden. Al was het maar vanwege de vele offers die destijds en soms levenslang gebracht moesten worden.

 

Butter, Marieke den | Bijbels bidden voor je kinderen

“Toen Christian het huis uit was, merkte ik dat ik in mijn gebed voor hem steeds in hetzelfde rijtje belandde. ‘Heere, wilt U hem helpen, wilt U voor hem zorgen, wilt U geven dat hij U mag kennen en de juiste keuzes maakt.’ Daarmee hield het zo’n beetje op. Je komt in een sleur.” (Terdege, 17 augustus 2018). Aan het woord is Marieke den Butter (44) van wie onlangs het boek Bijbels bidden voor je kinderen verscheen.  

Marieke – samen met haar man Jaap en gezin als zendeling werkzaam in een miljoenenstad in Azië – is moeder van acht kinderen. Vanaf het moment dat ze in verwachting was van haar eerste kind, bad ze voor haar kinderen. In het besef dat dat het beste is wat je voor hen kan doen.

Vanuit verlangen naar verdieping in haar gebedsleven ging ze op zoek naar boeken over gebed. Ze vond een boek van Andrew Case – Setting their hope in God, Biblical intercession for your children – waarin hij Bijbelgedeelten omgezet heeft tot gebeden voor kinderen. Den Butter schrijft in het voorwoord van haar eigen boek: “Met dit boek leerde ik bidden op manieren waarop ik nog nooit gebeden had. Daar waar ik eertijds bleef steken in dezelfde soort gebeden, met dezelfde woorden, werden nu mijn woorden veel meer en veel dieper. De Bijbel is vol schatten die gebeden kunnen worden.” Om dit boek voor een Nederlandstalig publiek toegankelijk te maken, heeft ze – met toestemming van de auteur – een Nederlandse versie geschreven.

In Bijbels bidden voor je kinderen zijn meer dan 200 Bijbelgedeelten herschreven naar gebeden. Naast de gebeden bevat het boek veel citaten die betrekking hebben op het gebed. Ze komen uit de wereldwijde kerk(geschiedenis) en zijn zowel bemoedigend als aansporend van aard.

De gebeden in het boek kun je letterlijk nabidden, maar ook gebruiken als ‘springplank’ voor het eigen persoonlijke gebed voor je (klein)kinderen of kinderen en jongeren uit je omgeving, familie of kerkelijke gemeente. In haar Instructies voor de lezer legt de auteur uit hoe je de gebeden om kan vormen, passend bij de situatie waar je je als lezer in bevindt. De gebruikte Bijbelvertaling is de Herziene Statenvertaling. Als de lezer echter het principe helder heeft, kan elke Bijbelvertaling gebruikt worden als basis voor de ‘Bijbelgebeden’.

Bij wijze van smaakmaker, citeer ik één gebed dat gebaseerd is op Psalm 71:

Almachtige God,

Wees voor mijn kinderen tot een rots om daarin te wonen, om voortdurend daar in te gaan. Want U, o HEERE, bent hun hoop. Laat hun mond vervuld worden met Uw lof en met Uw luister, de hele dag. O God, blijf niet ver van hen; mijn God, kom hen spoedig te hulp! Laat hun mond van Uw gerechtigheid vertellen, van Uw heil de hele dag, hoewel zij de afmetingen ervan niet weten. Ja, ook tot de ouderdom en grijsheid toe, verlaat hen niet o God, totdat zij aan de volgende generatie Uw sterke arm verkondigd hebben, aan alle nakomelingen Uw macht.  

Amen

Bij het lezen van de gebeden moest ik denken aan een predikant die eens zei: als je de Bijbel leest en er vervolgens in je gebed helemaal niet op terugkomt, dan is dat net als wanneer iemand tegen jou praat en jij daarop reageert zonder op het vertelde in te gaan.

Bijbels bidden voor je kinderen neemt de lezer bij de hand om met Gods eigen, Geestdoorademde woorden, tot Hem te gaan. Wie zich het boek eigen maakt, kan ervaren dat het lezen van de Bijbel zomaar over kan gaan in bidden. Voor je kind. Voor je kleinkind. Of voor welke geliefde, vriend, familielid, kennis dan ook. Volgens Charles Spurgeon het beste wat je voor iemand kan doen: “Niemand op deze wereld kan mij een meer waarachtiger vriendelijkheid bewijzen, dan hij, die voor mij bidt.”

McCarten, Anthony | In duistere tijden

Anthony McCarten is auteur, filmproducent en toneelschrijver. Hij is de man achter de film Darkest Hour, het scenario is van zijn hand. In duistere tijden vertelt het verhaal van Winston Churchill en heeft de basis gelegd voor de reeds genoemde film.

Groot-Brittannië was in oorlog. Door de enorm snelle opmars van Hitler-Duitsland in Europa, de Blitzkrieg genoemd, bezweek de ene democratie na de andere. ‘Met dat schrikbeeld voor ogen, zijn pen in de aanslag en een typiste bij de hand, zocht de kersverse premier van Groot-Brittannië naar de woorden die het land moesten inspireren tot heldhaftig verzet.’ Het zijn de vragen van de auteur en zijn fascinatie voor de persoon en de retoriek van Winston Churchill die het boek inhoud hebben gegeven. Een bevlogen redenaar, een groot staatsman en inspirerende leider die sprak van ‘bloed, zwoegen, tranen en zweet’ vormen de ‘eigenschappen’ van misschien wel de grootste politiek leider die er heeft geleefd. Onder andere de vraag of Churchill gespeeld heeft met de gedachte om vredesbesprekingen te beginnen met het monster Hitler komt voorbij. De schrijver geeft aan dat het erop lijkt dat dit het geval is. Waarom toch? Wat speelde er? Wat bewoog hem? De politieke druk was zo groot voor Winston Churchill dat hij ook voorwaarden aangaf en op schrift liet zetten om die besprekingen op zijn minst te beginnen en het denkproces in ieder geval vorm te geven. Er zijn critici die zijn reputatie hierdoor geschaad zien en zij vinden het onbegrijpelijk voor zo’n groots man. In de inleiding van het boek gaat McCarten hier wat dieper op in: ‘Zijn besluiteloosheid, zijn vermogen een vastberaden gezicht te trekken om het moreel hoog te houden en ondertussen na te denken over andere oplossingen, maken hem niet kleiner, maar spreken juist in zijn voordeel.’

Het zijn Churchills woorden geweest, zijn fabelachtig mooie en rake redevoeringen waarmee hij de politieke stemming veranderde, de angstige wil van een bevend volk versterkte en zijn land en volk naar de uiteindelijke totale overwinning stuurde. Wat. Een. Verhaal!

In Duistere tijden is de neerslag van de geschiedenis aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in Engeland. Het zijn de begindagen van mei 1940. Hitler viel Tsjecho-Slowakije, Polen, Denemarken en Oostenrijk binnen. Nu de rest van Europa nog. Zo wordt de politieke, roerige historie in die eerste maand van de oorlog te boek gesteld. Elk hoofdstuk begint met zwartgedrukte, dikke ‘krantenkoppen’ die (globaal)aangeven wat er speelt. Het zijn de kaders waarbinnen het verhaal valt. Dit geeft structuur, houvast aan het verhaal. Precies in het midden van het boek staat het hoofdstuk over zijn meest belangrijke toespraak, die waarin hij sprak over bloed, tranen en zweet. Niets dan dat had hij te bieden aan het begin van zijn regering, met de oorlog nog vol in het vooruitzicht. Deze redevoering is uniek. Terecht dat de auteur hier diep en lang op in gaat.

In duistere tijden is een heerlijk boek dat, mits je enigszins je hoofd erbij houdt, goed leesbaar is. Het is een gedegen werk geworden. De cover laat Winston zien, deels wel te verstaan. Maar wat hem zo markant maakt is duidelijk zichtbaar aanwezig. De kleurstelling is goed gekozen. De historie wordt afgewisseld met fragmenten uit diverse toespraken. Zo krijg je een compleet beeld van het geheel.

Een sterk staaltje leiderschap leer je ook uit het boek. Misschien niet direct toepasbaar, maar dan toch wel om erover na te denken. ‘Winston had geen talent voor vrede. Hij had een talent voor crisis en de uitdrukking daarvan, voor moed, en het oproepen daarvan, vaak voor risico’s en het onderschatten daarvan.’

Vuijsje, Herman | Pelgrim zonder God

De Camino, de pelgrimsweg naar Santiago de Compostela, brengt vele mensen in beweging. Veel wandelaars, pelgrims genoemd, lopen de wandeltocht vanuit een spirituele behoefte. Zij hopen de vaak broodnodige verlossing te vinden voor hun (psychische) problemen. Ze hopen die zuivering te ervaren die hen in staat stelt een nieuwe weg in te slaan op het levenspad. Zo ook de, naar eigen zeggen, atheïstische auteur Herman Vuijsje. Bijna dertig jaar geleden liep hij de wandeltocht der wandeltochten. Maar wel in omgekeerde richting. Hij begon in Santiago de Compostela. En liep vervolgens terug naar Amsterdam, het Sodom en Gomorra van het westen. Het resulteerde in een pittig boek: Pelgrim zonder God.

In Pelgrim zonder God blikt Herman Vuijsje terug op zijn wandelreis van weleer, dit doet hij in een herzien voorwoord. In mooie volzinnen, kritisch kijkend naar de religieuze en spirituele kant van de wandelzaak en met een milde (zelf)spot verwoordt hij zijn filosofische overpeinzingen:
‘Het lijkt erop dat de ‘opbrengst’ van Compostela bestaat uit datgene wat je ’t minst was en het liefst zou willen zijn.’
De tocht naar Compostela geeft zowel positieve als negatieve vrijheden betoogt Herman Vuijsje. Hij gaat dieper in op de vrijheden die de pelgrimstocht biedt: vrijheid van expressie, vrijheid van gedachten, vrijwaring van keuzen en vrijwaring van tijdgebrek. ‘Wie naar Santiago trekt, maakt zich juist los van waarden als doelgerichtheid, efficiëntie en effectiviteit. Vaak weet hij juist niet wat hij wil, maar gaat hij op pad om daar achter te komen.’
De pelgrimstocht als medicijn tegen depressies. Deze tocht functioneert als een prima antidepressivum. ‘De Santiagopelgrimage speelt in op eigentijdse noden: ze voert ons terug naar eenvoud, onopgesmuktheid en authenticiteit.’

Herman Vuijsje schrijft verderop: ‘Santiago laat zien hoezeer de grens tussen godsdienst en medemenselijkheid vervaagt en van onbelang wordt.’ De schrijver laat duidelijk voelen dat de idee van een religieuze voettocht naar het hogere, geestelijke doel er niet meer toe doet. Hij maakt daarom de keuze in omgekeerde orde de pelgrimage te volbrengen. Vanuit de middeleeuwen naar de moderne tijd trekkend. In bijna metaforische bewoordingen toont Herman Vuijsje de lezer aan dat God en godsdienst ondergeschikt is. Al het oude moet weg, welkom wetenschap en verstand! Zijn afkeer van religie toont tegelijkertijd volstrekt helder aan dat zelfs een atheïst nooit loskomt en losgezongen wordt van God. Waarom heeft hij anders de mond vol over God?

Los van het uitgebreide en boeiende voorwoord beschrijft Herman Vuijsje in Pelgrim zonder God uiteraard zijn wandelervaringen: zijn contacten met medereizigers, mooie natuurbeschrijvingen en een vertelling over de Europese ideeëngeschiedenis. Een speurtocht naar de ankers voor moraal en spiritualiteit in een wereld waarin de kerk en traditie op hun retour lijken, zo staat op de achterkant van het boek te lezen. Ik ben blij dat er staat ‘lijken’. Zo eindigt het boek niet in een atheïstische klaagzang, maar staat de deur zelfs op een kier voor diezelfde traditie en voor diezelfde kerken.

Verheijen, Sander | Ik kan er net niet bij

De ‘chef de mission’ van Hebban, de mooiste en grootste boekencommunity van Nederland, luisterend naar de naam Sander Verheijen, heeft een bijzonder boek geschreven: Ik kan er nét niet bij. Het is een boek dat overduidelijk geschreven moést worden. Een verhaal opgedragen aan Jip (nee, niet die van Janneke…), zijn vrouw, steun en toeverlaat in voor-en tegenspoed.

Het motto voorin het boek is ontleend aan een songtekst van Thomas Acda. Met name de woorden ‘Maar wat ik schrijf ben ik echt/ Zo kan ik een beetje van de wereld aan’ blijven haken in je gedachten. En dan moet je nog beginnen met het eigenlijke verhaal.

De proloog, kort en krachtig, vat de verschillende emoties die Sander ervaart, goed samen: ‘Ze zijn net vier geworden, onze jongens. Ze zouden nu naar school moeten gaan. een échte school dan. Dat is namelijk wat de bedoeling is. Dat is zoals het hoort. Als je gezonde kinderen krijgt. een wereld die ver verwijderd is van de onze.’ In de zomer van 2007 begint het verhaal. Tijdens de eerste date met Jip stelt ze doelgericht die ene vraag of Sander kinderen wil. Een roep om duidelijkheid. Zeker geen strikvraag. Wanneer Sander bevestigend antwoordt, wonen ze kort erop samen. Ze laten er geen gras over groeien.

In veel korte hoofdstukken, die zich laten lezen als columns, vertelt Sander Verheijen in Ik kan er nét niet bij openhartig en soms een tikkeltje brutaal ( oké, oké, met een knipoog) over zijn liefde voor Jip, het mentale en fysieke proces om samen kinderen te krijgen, de geboorte van zijn tweeling Willem en Maurits, de openbaring van een aangeboren hersenbeschadiging bij Willem, de ontdekking van autisme bij Maurits en niet te vergeten zijn onbegrensde liefde voor zijn trouwe viervoeter Gant. Doordat de hoofdstukken kort zijn en de schrijfstijl eenvoudig en soms ook heel beeldend is, ga je als een speer door het boek heen. Sander is een goede observator en schildert met verve dat wat hij meemaakt met zijn gezinnetje.

Heel sterk geschreven zijn de stukken waar de ogenschijnlijk stoere Sander Verheijen zijn verdriet deelt, zijn bezorgdheid uit over de toekomst van zijn kinderen. Hij laat zich keihard in zijn ziel kijken. Dat is krachtig, dat is de mannelijke man. Durf je emoties te uiten en laat je diep in je hart kijken. Toon wat je bezielt en bezighoudt, zo is Sander ook inspiratiebron voor anderen die ‘in hetzelfde schuitje zitten’. ‘Inmiddels weet ik dat verdriet gratis wordt meegeleverd bij de geboorte van een kind. Een verplichte optie, samen met geluk. En ze vechten om het hardst voor de meeste aandacht. Zo veranderen stoere kerels in softies. (…) Ook niet waar. Die stoere kerel ben ik nooit geweest.’

Laat ik openhartig zijn. Het laatste hoofdstuk van Ik kan er nét niet bij heb ik met een brok in mijn keel gelezen. Deze column is van een bijna verbluffende schoonheid. Het moment dat de beide broertjes voor het eerst uiten dat ze van elkaar houden, is zo mooi. Zo puur aan het papier toevertrouwd. Een ding blijft dan nog over: Er is altijd hoop, ondanks moeite, zorg, verdriet en pijn. De liefde overwint alles. Want die liefde zoekt zichzelf niet, maar is altijd gericht op de ander. Dat bewijst Jip. Dat bewijst Sander Verheijen.

Alan Gratz | De jongen die tien concentratiekampen overleefde

 

Gemarteld, uitgehongerd, vernederd, eenzaam en ontheemd. Woorden die het leven tekenen van ‘de jongen die tien concentratiekampen overleefde’. In 1939 vallen de Duitsers Polen binnen. Yanek, de hoofdpersoon, is dan tien jaar oud. Vanaf dat moment verandert zijn leven in een catastrofe.

Kent u de namen? Krakau, Plaszów, Wieliczka, Trzebina, Birkenau, Auschwitz, Sachsenhausen, Bergen-Belsen, Buchenwald en Gross-Rosen. Plaatsen waar mensen, met name Joden, veranderden in nummers. Locaties waar menigeen het bestaan niet van wist en waar dieren vriendelijker werden behandeld dan mensen. Al deze plekken heeft Yanek, in zes jaar tijd, bezocht. Hij ontmoette daar Amon Goeth, de meedogenloze kampcommandant die ’s ochtends zijn schietoefeningen deed en daarbij gevangenen doodde. Ook stond Yanek oog in oog met het nazi-monster, Josef Mengele. Toen de Duitsers (tussen herfst 1944 en april 1945) de sporen van de vernietigingskampen wilden uitwissen, werden de gevangenen verhuisd. Yanek moest, in de winter, op blote voeten vele honderden kilometers lopen. Tijdens deze marsen vielen er tienduizenden doden, maar…hij overleefde.

Het zal u opvallen dat bovenstaande alinea geschreven is in verleden tijd. Het verhaal van Yanek is dan ook daadwerkelijk geschiedenis. Het is het verhaal van gevangene B-3087, Jack Gruener. Hoewel de auteur veel vrijheid heeft genomen (met toestemming van Jack) in het verhalen van deze geschiedenis zodat het beeld van de holocaust completer wordt, is dit boek er een die de lezer tot tranen toe roert.

Het is de ervaren Alan Gratz (in 1972 geboren te Knoxville, Tennessee) gelukt om de verschrikkingen van de holocaust weer te geven. Het boek leest als een ooggetuigenverslag en je legt het niet zomaar aan de kant. De lezer valt van de ene weerzinwekkende gebeurtenis in een andere, totdat de vrijheid er abrupt een einde aan maakt. Het contrast tussen holocaust en vrijheid wordt op treffende wijze verwoord:

“Met hoeveel mensen moet ik hierin slapen?’ vroeg ik. Hij (Amerikaanse soldaat, EJV) keek me verbaasd aan. ‘Met niemand,’ zie hij. ‘Het is jouw bed.’
Een bed helemaal alleen voor mij! Toen – het ene wonder na het andere – gaf hij me een deken, een kussen en lakens.
(…)
Ik wist niet eens meer hoe het was om iets zachts aan te raken. De soldaat hielp me en ik klom voorzichtig mijn nieuwe bed in. Een echte matras, met veren! Mijn lichaam zakte helemaal weg en mijn hoofd viel in het kussen.
Wat een luxe!” 

De jongen die tien concentratiekampen overleefde, een must-to-read. Om nooit meer te vergeten en om te beseffen wat ware vrijheid is.

 

Ivo Kouwenhoven | Verder kijken dan de muzieknoot lang is

Achter de muzieknoot, geproduceerd door het orkest, zit een zeer fascinerende wereld. Ivo Kouwenhoven heeft dat goed gezien en vertolkt in zijn boek Verder kijken dan de muzieknoot lang is.

Ivo Kouwenhoven is een (in 1972) geboren Rotterdammer. Hij is afgestudeerd aan het Rotterdams Conservatorium met als hoofdvak hoorn. Naast dat Kouwenhoven dirigeert en componeert, geeft hij advies over jeugdbeleid, schrijft columns (waarvan een heel aantal in het boek staan) en jureert bij verschillende jeugdfestivals in het land. Een muzikaal man met een groot hart voor de jeugd.

De auteur heeft in zijn beschrijving van de wereld achter de muziek veel aandacht voor de jeugd, immers wie de jeugd heeft … Veel orkesten hebben moeite met het werven van leden. Ivo Kouwenhoven geeft een tiental concrete tips om dit probleem te tackelen, waarvan dit wel eens de gouden tip kan zijn: “Vaak zijn het besturen of commissies die urenlang vergaderen hoe nu nieuwe leden te werven. Maar heeft u het wel eens aan de jeugdleden zelf overgelaten?”

Dat Kouwenhoven niet alleen aandacht heeft voor jeugd en muzieknotatie mag duidelijk zijn. Zelfs de penningmeester krijgt, op een positieve manier, een draai om zijn oren. Daarnaast irriteert de auteur zich aan de ‘azijnzeikerds van de vereniging’, deze kun je maar beter kwijt dan rijk zijn. Iemand die veel noten op zijn zang heeft, kan beter een toontje lager zingen…… Maar dan blijven het aantal noten toch hetzelfde? Het is één van de vele quotes van Kouwenhoven die her en der in het boek staan. Inderdaad, deze quote staat op de bladzijde die gaat over de ‘azijnzeikerds’. Het geeft aan dat Kouwenhoven op een prettige wijze zijn visie deelt en daarbij de negatieve kanten van een vereniging niet onbenoemd laat.

Ivo Kouwenhoven bewijst dat moderne media hem niet vreemd zijn. Hij schrijft over telefoongebruik tijdens de repetities van (jeugd)orkesten. De beschreven irritatie is herkenbaar, maar hij buigt het om op een manier die de jeugd wel weet te waarderen. Sterker nog, Kouwenhoven heeft zelfs telefoons een rol gegeven in zijn eigen werk ‘The Conductor’s Nightmare’, hilarische muziek voor opleidingsorkesten.

Het boek beslaat 144 pagina’s en staat vol met thema’s die aangestipt worden en waarbij beleidsmatig handige tips aangereikt worden. Degene die een zeer doordachte analyse van het beleidsmatige deel van een vereniging verwacht, komt bedrogen uit. Dat is ook niet de doelstelling van Kouwenhoven. Hij deelt een aantal opgedane ervaringen die voor veel verenigingen een antwoord kunnen geven op problemen, ergernissen of blokkades. Het boek is overzichtelijk en eenvoudig te lezen. Een aanrader voor ieder (bestuurslid van een) amateurorkest.