Lanchester, John | De muur

omslag De Muur John LanchesterIn De muur gaan we naar de toekomst. Een toekomst waarin het zeewater is gestegen en het bouwen van grensmuren normaal is geworden. Deze Nederlandse vertaling van John Lanchesters The Wall is nog maar net uit en is zeer geschikt om in een weekend uit te lezen.

De muur speelt zich af in het Verenigd Koninkrijk. Om het hele land staat een dikke muur. Niet alleen om het gestegen water tegen te houden, maar ook om ‘de anderen’ buiten het Verenigd Koninkrijk te houden. De muur wordt dan ook dag en nacht bewaakt door jonge mannen en vrouwen. Hoor je niet bij de elite, dan zul je twee jaar van je leven op de koude betonnen muur moeten doorbrengen.

Joseph Kavanagh is een van de jongeren die twee jaar lang de taak heeft om de muur te verdedigen. Een gevaarlijke taak. In een gevecht met ‘de anderen’ zou hij kunnen sneuvelen. Maar een groter gevaar is misschien nog wel dat voor elke ‘ander’ die de muur toch over weet te komen, een verdediger de zee wordt opgestuurd. Toch is spanning op de muur vaak ver te zoeken en bestaat het verdedigen van de muur vooral uit lange, koude, saaie diensten. Elke onderbreking is meer dan welkom, al is het maar de thee die langsgebracht wordt.

‘Je eerste dag?  Arme stakker. Die komt altijd hard aan. Maar je raakt eraan gewend. En het regent niet, er staat geen storm en het is overdag, dus dat voordeel heb je.’

‘Ik ben Kavanagh,’ zei ik. Het vocht was donkerbruine thee, te lang getrokken en bitter, met zo veel suiker erin dat hij zoet was als roomijs. Ik had nog nooit zoiets lekkers gedronken.

‘Ik weet wie je bent, schat. Nou, we zullen elkaar vandaag nog minstens drie keer zien, dus moeten we nog wel wat te praten voor straks overhouden. En goed opletten hè?’

En toen zat Mary alweer op haar fiets (…)

(p. 30-31)

John Lanchester en de vertalers Janet Limonard en Frank van der Knoop hebben goed werk verricht. De muur is geen ongeloofwaardige sciencefiction, maar een reëel toekomstbeeld. Een toekomst waarin ‘de ander’ niet meer wordt gezien als mens, maar als gevaar. Een toekomst waarin kinderen hun ouders verwijten dat ze geboren zijn. Een toekomst zonder toekomst.

Ondanks dat De muur een ellendige toekomst beschrijft, velt John Lanchester in zijn boek geen oordelen. Zijn boek is dan ook geen directe kritiek op Trump en de Brexit, maar een poging om ons in te laten zien wat de toekomst kan inhouden. John schrijft helder en probeert niet overdreven literair te zijn. Ondanks de grote problemen die De muur behandelt, is het een makkelijk leesbaar boek. Een boek dat je snel uit leest, maar waar je nog lang over na kunt denken.

Schmitt, Eric-Emmanuel | Het evangelie volgens Pilatus

Wie een beetje Bijbelkennis heeft, weet dat er vier evangeliën zijn: het evangelie naar de beschrijving van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. De eerste drie komen in tal van opzichten met elkaar overeen.  Eric-Emmanuel Schmitt voegt daar ‘Het evangelie volgens Pilatus’ aan toe. Hij is overigens niet de eerste auteur die de gebeurtenissen rond het lijden en sterven van Jezus  van Nazareth in een roman verwerkt. Het is interessant om je in te leven in een hoofdrolspeler in het drama rond de veroordeling van Jezus.

Schmitt toont ons een beeld van Pilatus, stadhouder namens de Romeinse keizer. In brieven aan zijn broer Titus  beschrijft Pilatus  wat er allemaal gaande is in Jeruzalem en omstreken. De dagen rond het Pascha zijn voor hem altijd spannende dagen. Er is veel volk in de stad, pelgrims vanuit alle hoeken van het land . Joden die de Romeinen het liefst gewapenderhand zouden willen verjagen, zouden hun kans kunnen grijpen en dan hoeft er maar iets te gebeuren of de vlam slaat in de pan. Het is er Pilatus alles aan gelegen om de rust te bewaren.

Als de Joodse leiders hem om de veroordeling van Jezus van Nazareth, Yechoea,  vragen komt hij voor de morele keuze te staan of hij recht doet of ervoor kiest om ten koste van het recht de Joden rustig te houden. Tegen het advies van zijn vrouw Claudia , die ervan overtuigd is dat Yechoea de zoon van God is,  besluit hij uiteindelijk Yechoea over te leveren om gekruisigd te worden. Door zijn handen in onschuld te wassen, geeft hij aan dat hij zich bewust is van  het onrecht. Met de dood van Yechoea lijkt voor Pilatus de zaak afgesloten en opgelucht kan hij vaststellen dat er geen relletjes zijn uitgebroken die het Romeinse gezag ondermijnen.

Maar nu begint het eigenlijke verhaal pas: een soort detective waarin het verdwenen lijk van de gekruisigde en begraven Yechoea wordt opgespoord. Pilatus is een rationeel mens, gelooft niet in bovennatuurlijke verschijnselen en probeert op logische wijze een verklaring voor het verdwenen lichaam te vinden. Als het lichaam niet is weggehaald, dan is er wellicht sprake van een dubbelganger. Of Yechoea was niet echt overleden maar schijndood. De getuigen die beweren Yechoea te hebben gezien en gesproken worden echter steeds talrijker en Yechoea verschijnt zelfs aan Pilatus’echtgenote Claudia. Omdat Yechoea gezegd heeft in Galilea zijn volgelingen weer te ontmoeten, vertrekt Claudia met verschillende andere pelgrims naar het noorden. Om zijn vrouw terug te vinden, trekt ook Pilatus naar Galilea waar hij hoort hoe Yechoea in een schitterend licht is opgenomen.

Aan de brieven gaat een proloog vooraf: bekentenis van een ter dood veroordeelde de avond voor zijn arrestatie.  Yechoea is in de Olijfhof en wacht op  zijn arrestatie. Zijn meest geliefde discipel Yehoudah Iskariot, zal hem aan de soldaten overleveren op aandringen van Yechoea zelf.  De Yechoea die je als lezer hier leert kennen door de terugblik die hij zelf op zijn leven geeft, verschilt enorm van de Jezus van Nazareth die je in de Bijbel ontmoet. Waar je in de Bijbel de zoon van God leert kennen,  is in de roman Yechoea meer een goddelijk geïnspireerd mens. Door Yechoea als mens te tonen, brengt Schmitt hem dichtbij, maar je verliest hem ten diepste als zoon van God en Zaligmaker. Dit gedeelte riep bij mij dan ook zeer gemengde gevoelens op: mag je op deze manier Jezus als personage in een roman ten tonele voeren?

Het slothoofdstuk speelt zich af in het jaar 2000 en daarin treedt de schrijver zelf naar voren en legt hij verantwoording af van zijn keuze om op deze wijze het lijden van Jezus en Zijn opstanding te presenteren.

Het Evangelie volgens Pilatus is een boeiend verhaal. Het aloude Bijbelverhaal gaat voor je leven omdat je je in kunt leven in mensen van vlees en bloed. Jezus Christus was echter meer dan een mens van vlees en bloed, Hij is God zelf. In mijn ogen heeft Schmitt hiermee  een grens overschreden.

 

Bakker, Michiel | Een leven bleek niet lang genoeg

Een man, aan het einde van zijn leven gekomen, richt zich in acht brieven tot zijn vroegere geliefde Marianne. Zij ontvangt deze brieven na zijn dood en leest hoe de briefschrijver zich zijn hele leven lang verbonden bleef voelen met haar ook al was hun relatie al jaren geleden beëindigd. Het heimwee naar de verloren geliefde is bijna tastbaar aanwezig. ‘Een leven bleek niet lang genoeg’ is echter meer dan terugzien en verlangen naar wat geweest is.

In de brieven komen zware thema’s aan de orde: de zin van het leven, de relatie tussen mensen waarbij de ander tegenover het ik staat, de vraag naar wat wezenlijke vrijheid is, een al dan niet aanwezige God en uiteindelijk de vraag naar wat het betekent om mens te zijn.

Michiel Bakker, een student filosofie, blijkt geraakt te zij door het gedachtegoed van Nietzsche. Op diverse plaatsen in het verhaal duikt de dwaze mens die op zoek is naar God en uiteindelijk moet constateren dat God dood is, op. De absolute vrijheid die dit oplevert, is echter niet per se winst. De consequenties zijn niet te dragen. ‘Hoe zouden wij in hemelsnaam onszelf vervullen, wij, die mieren zijn; wij, slechts ternauwernood onszelf? Al eerder heb ik het gezegd, Marianne eerder heb ik het je al gezegd, maar nogmaals zal ik het je zeggen: de godenvoeten zijn te groot. De schoenen van de goden zijn ons veel te groot, en onze voeten juist zo klein.’

De briefschrijver blijft uiteindelijk met lege handen achter. Een allesomvattende liefde, die de vervulling van zijn leven had kunnen zijn, is verloren gegaan en er is niets voor in de plaats gekomen. ‘Wie zijn wij nu eenmaal? Wat zijn wij toch? Wij zijn het niets dat nietst, Marianne, verwaarloosbaar in het geheel; maar ieder een wereld, ieder een heelal.’ ‘Een leven bleek niet lang genoeg’ toont uiteindelijk een sombere oude man die vooral terugkijkt op een leven van verlies.

Het taalgebruik van Bakker is op sommige momenten prachtig. Ik heb genoten van de passage waarin Marianne in een ontluikend Parijs het pakketje brieven vindt. Mooie beeldspraak! Op andere momenten vond ik de overdaad aan beelden bijna irritant evenals de herhaling die veelvuldig voorkomt. Hoewel er in deze roman eigenlijk nauwelijks iets gebeurt, zit er toch voldoende spanning in de wijze waarop Bakker de briefschrijver zijn gedachten laat verwoorden, om geboeid te blijven lezen. Al met al een debuut dat verwachtingen schept!

Visser, Judith | Zondagskind

Judith Visser (1978) schrijft  een indrukwekkend boek: Zondagskind. De schrijfster kwam op volwassen leeftijd er eindelijk achter wat er aan de hand was met haar, ze heeft het syndroom van Asperger. Met een frisse blik, de nodige humor en met een ontroerende, soms scherpe pen blikt ze terug op haar jeugdjaren en wat deze vorm van autisme met haar deed en doet.

Op de een of andere manier doet Zondagskind sterk denken aan dat andere prachtboek, maar met een heel ander thema: Wees onzichtbaar van Murat Isik. In beide boeken gaat het over een klein kind op weg naar de volwassenheid. Beide boeken gaan over de zo bekende jaren ’80 en ’90 dat sterk herkenning oproept omdat de reeds genoemde auteurs dezelfde leeftijd hebben als ik. In beide literaire romans gaat het over de ups en downs in de ontwikkeling van kinderen en hoe die ontwikkeling sterk beïnvloed wordt door de cultuur, door de omstandigheden en gebeurtenissen, door gezin en vrienden, door dat wat in jou zit of wat jou overkomt. Overigens, en niet geheel onbelangrijk, is de titel Wees onzichtbaar ook vaak het levensmotto geweest van de hoofdpersoon in Zondagskind. Hoofdpersoon Jasmijn Vink probeert zich vaak onzichtbaar te maken voor de ‘boze buitenwereld’.

Zondagskind is een boek dat de lezer in het verhaal sleurt van begin tot eind. Jasmijn wordt je ziel ingetrokken. Voor de duur van 478 pagina’s is de lezer niet meer zichzelf, maar Jasmijn Vink. ‘Vragen ging niet, want ik kon niet praten met grote mensen.’ Het grote probleem van Jasmijn. Hoewel… ze praat wel met haar lieve hond en met Elvis Presley…Ze zeggen immers niets terug en dat is wel zo prettig. Jasmijn heeft autisme, maar ze weet het zelf nog niet. Ook haar ouders zien dat ze anders is dan andere kinderen, maar kunnen het nog niet duiden. Dat blijft in feite het hele boek door het geval. Dat zorgt uiteraard voor schrijnende situaties, maar deze zorgen ook voor het nodige vermaak. Zo kan het dus gebeuren dat het ene moment er een traan gelaten wordt door de lezer, het andere moment tovert deze een stralende glimlach tevoorschijn.

Jasmijn wordt voortdurend aangevallen door tal van prikkels die ze niet kan wegfilteren. Dit maakt haar verward, ziek en vermoeid. Wanneer dit besef ook enigszins indaalt bij de lezer, dan kan het niet anders of je krijgt een diep gevoel van respect voor de hoofdpersoon. Voor Judith. Voor zoveel andere kinderen, jongeren en volwassenen bij wie ditzelfde zich voordoet. Hiermee is het een ode aan mensen die autisme hebben of hooggevoelig zijn.

Mooi is het te lezen dat op de flaptekst staat: ‘met vallen en opkrabbelen leert Jasmijn hoe ze zich in sociale situaties staande kan houden.’ Dat is het exact: opkrabbelen. En niet opstaan. Dat duidt immers op een directe positieve (re)actie van Jasmijn in haar soms echt moeilijke situaties. Opkrabbelen gaat met enige moeite gepaard waarbij de kans om terug te vallen aanwezig is. Van medelijden is geen sprake bij de lezer, ik geloof dat de auteur dit ook niet zou willen. Wel respect en begrip kweken voor mensen met autisme. Daarin is Judith Visser glansrijk geslaagd!

 

 

Bernart, Sandra | Ik zag Menno

Sandra Bernart debuteerde met dit fraai geschreven boek. Ik zag Menno is een tragikomisch verhaal dat je pakt van begin tot eind. Het is de verdienste van Bernart dat het verhaal ook literaire waarde heeft.

‘Het is heel reëel dat Kim en ik samen gelukkig oud zullen worden. Dat heb ik berekend. Toeval bestaat niet.’ Vincent heeft berekend dat hij gelukkig zal worden met Kim. Dit geeft de ietwat autistische hoofdpersoon de enige zekerheid in zijn bestaan. Kim en Vincent boeken op een dag hun huwelijksreis. In een van de reisbrochures ziet Menno plotseling een foto staan waarop hij zijn verdwenen en doodgewaande broer Menno ziet. Hij raakt zo geobsedeerd door wat hij ziet, dat hij alle zekerheden in zijn leven langzaam maar zeker, vastberaden als hij is, opgeeft en loslaat en op zoek gaat naar de herkomst van de foto met als doel zijn broer zien te vinden. Zijn persoonlijke queeste brengt hem in Spanje. Wanneer hij na lang zoeken, dolen, straatartieste Rosana ontmoet en haar beter en beter leert kennen ontdekt hij dat het leven dat zijn broer Menno leidde, niet gek was. De muren van Vincents zekere bestaan, met al zijn berekeningen en wetmatigheden, brokkelen langzaam maar zeker af. Hij voelt steeds meer dat juist de onzekerheid van het leven heel ontspannen is, hem voldoening biedt en hem gelukkig maakt. Deze wetenschap brengt Vincent in verwarring, maar het is er een van de gelukkige soort.

Ik zag Menno is een literaire roman met passages die flonkeren als juweeltjes. De trefzekerheid van Bernarts schrijven, de passie voor het schrijverschap dat afstraalt van de pagina’s en de goedgekozen woorden om gevoelens van personages te omschrijven maken dat deze roman literair genoemd kan worden. Een voorbeeld: ‘Of ik alle tijd had deed er wat mij betreft niet toe. Iedereen heeft alle tijd. Ik heb niet meer tijd gekregen dan iemand anders. Het is maar net hoe je met die tijd omgaat.’ Juist de eenvoud van de woorden brengt hier een diepere lading, een diepere dimensie aan.

Vincents gedachten spelen een grote rol in het verhaal, ze geven diepte aan het verhaal. Zo ook wanneer hij op een loopband staat op het vliegveld: ‘Hier op de loopband zijn we allemaal gelijken, passanten met ieder een eigen bestemming. Niet je herkomst maar je doel is wat het verschil maakt. We zijn allemaal onderweg en bevinden ons op neutraal terrein tussen het vertrouwde verleden en een onbekende toekomst, die we alvast voorzichtig hebben ingekleurd met verwachtingen en hoop.’ Geniaal, nietwaar?

Het boek gaat over observeren en zien. Op het moment dat Vincent de regie van zijn leven meer uit handen geeft en de vonk tussen hem en Rosana overslaat en ze samen aan zee zitten, antwoordt Rosana op de vraag van Vincent of er ook dolfijnen zijn: ‘Ja, die zijn hier. Soms zie je ze springen, meestal in groepjes. Maar je moet er niet naar zoeken. Dan zul je ze nooit zien. Pas als je niet meer naar ze zoekt, ga je ze zien.’

Ik zag Menno heeft een onverwacht en haast spannend einde. Vincents gedrag roept steeds meer vragen op, hij breekt met alle zekerheden en grenzen in het bestaan en overschrijdt tevens die van anderen. Sandra Bernart heeft een ge(s)laagd debuut afgeleverd!

 

 

 

Hart, Kees ’t | Wederzijds

Kees 't hart - WederzijdsGraffiti op een kabelkastje naast je voordeur: irritant. Zeker als je in een mooi huis woont in Den Haag, al staat het in een wat mindere wijk. De hoofdpersoon van Wederzijds schildert het kastje steeds opnieuw over en ergert zich eraan dat de politie niets doet. Tot op zeker moment een vriendelijke man namens de organisatie Wederzijds aanbiedt het probleem uit de wereld te helpen. Overrompeld weten hij en zijn vrouw niet goed raad met dit aanbod, maar al snel is niet alleen het probleem met het kabelkastje opgelost, maar staat ook een leegstaand schoolgebouw, dat voor geluidsoverlast in de wijk zorgde, in lichterlaaie. Korte tijd later ligt een rekening in de bus: 400 euro alstublieft. Betalen en vergeten, denken ze, maar zo werkt het niet bij Wederzijds. Voor wat hoort wat, zo blijkt. Climax is een situatie op de school waar de hoofdpersoon werkt. Van een meisje verschijnen pornografisch gefotoshopte beelden op internet. Om de vermoedelijke dader die blijft ontkennen een lesje te leren schakelt de hoofdpersoon een organisatie als Wederzijds in die shockerende maatregelen neemt, waarna hij anoniem een envelop ontvangt.

In de enveloppe zat een kootje van een wijsvinger. Met nagel. Niet van echt te onderscheiden. Hij was van hard vleeskleurig plastic. Er was rode verf op gesmeerd. Nepbloed. Geen briefje erbij. (…)

Ik fietste haastig naar huis, malend, hardop in mezelf pratend, scheldend en vloekend. Waar was ik aan begonnen? Hoe konden we hieraan ontsnappen? Misschien was alles al te laat. Stond de politie voor de deur. Had Kelly me aan het lijntje gehouden. Was Wies opgepakt. Conrector betrokken bij wraaknemingen op school. Uit Engeland overgewaaide grote criminele organisatie opgerold. Met vertakkingen onder alle lagen van de bevolking.

In het boek beschrijft de hoofdpersoon hoe hij tegen wil en dank verzeild raakt in een organisatie die op illegale wijze criminaliteit bestrijdt. Het verhaal begint lichtvoetig; de hoofdpersoon en zijn jongere vrouw, een oud-leerling van hem, doen een beetje lacherig over de hele situatie. Maar onder de oppervlakte voel je al snel dat het wel eens flink uit de hand kan gaan lopen. En de hoofdpersoon doet zich weliswaar naïef voor, maar is hij dat ook of veegt hij achteraf zijn straatje schoon?

De ondertoon in deze komedie is satirisch: de overheid doet te weinig aan overlastbestrijding; organisaties als Wederzijds vormen een gat in de markt. Je gaat het als lezer bijna vanzelfsprekend vinden dat je als ‘onschuldige’ burger een geluidsbom bij een ander in de brievenbus gooit om hem een lesje te leren. Het is een hele klus om tijdens het lezen op je qui vive te blijven en het onderscheid tussen begrip en goedkeuring scherp te houden. Daarmee is het tegelijk een absurdistisch én realistisch verhaal, dat je tegen wil en dank meeneemt tot het eind, zoals de organisatie Wederzijds zelf.

Akkerman, Stevo | De mooiste dag

Omsloten door de hoofdstukken ‘Therese, Jacob, Wilco, Floor’ vertelt Stevo Akkerman in De mooiste dag vanuit de afzonderlijke perspectieven van deze personages over het gezin waar zij deel van uit maken. Dochter Therese gaat bevallen en haar man, vader en zus wachten in spanning op het verloop van de bevalling die niet zonder problemen verloopt. Moeder Agnes ontbreekt, sterker nog: zij is verdwenen en niemand weet waar ze uithangt. En dat op het moment waar ze zo lang naar toe heeft geleefd.

Vanuit de verschillende perspectieven krijg je een beeld van de onderlinge relaties in het gezin en de karakters van de verschillende personen. Onuitgesproken verwachtingen, verlangens en frustraties veroorzaken onderhuids enorme spanningen. Slechts zelden komen ze aan de oppervlakte in gezinsverband, maar als lezer ben je er steeds weer vanuit ander perspectief deelgenoot van. Moeder Agnes leren we alleen kennen vanuit de ogen van haar man en kinderen. Dit geeft uiteraard een veelzijdig beeld, maar laat haar niet zelf aan het woord.

Stevo Akkerman verstaat de kunst van zijn personages ‘echte mensen’ te maken. Ze zijn herkenbaar in hun ambities, hun teleurstellingen, hun pogingen het goed te doen en hun falen. In ‘De mooiste dag’ ontmoet je mensen die vluchten voor de confrontatie met de ander en zich vervolgens tekort gedaan voelen. Je ontmoet mensen die te weinig oog hebben voor wat de ander echt bezighoudt en het leven van de ander alleen vanuit hun eigen perspectief bekijken. Je ontmoet mensen die wel anders zouden willen, maar zich onmachtig voelen de situatie te veranderen.

Akkerman toont zich een milde schrijver in de wijze waarop hij zijn personages neerzet, waardoor ik uiteindelijk voor allemaal wel een zekere sympathie had. Wellicht had dit ook te maken met de herkenbaarheid en de spiegel die je daarmee wordt voorgehouden.

Door de vertelwijze vanuit de verschillende perspectieven bleef De mooiste dag tot op de laatste bladzijde boeien. Akkerman is een verteller die zijn verhaal  zo weet te verwoorden dat je wordt meegenomen en tot op de laatste bladzijde blijft genieten.  De slotzin suggereert herstel: ‘Ik ben er nog meisje,’ zegt ze zacht. ‘Het verhaal is nog niet voorbij.’ Het maakte me nieuwsgierig!

 

Klein Haneveld, Johan | De Krakenvorst boek 1: Keruga

Johan Klein Haneveld, auteur van onder andere het non-fictieve werk De loser die wint (2015), heeft met De Krakenvorst een volgende stap gezet. Schreef hij al eerder sciencefictionromans, nu is de fantasyroman aan de beurt. En ook deel 2: Kartaalmon is inmiddels uitgekomen. Naast deze schrijverij is Klein Haneveld auteur van korte verhalen in het sciencefictiongenre, is hij eindredacteur van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde en is hij behalve dol op zijn vrouw, gek van vissen en aquariums. Je zou met recht kunnen zeggen dat hij een zeer veelzijdig mens is. Ook heeft hij al diverse prijzen en nominaties in de wacht weten te slepen. .

In De Krakenvorst, boek 1, volgen we de levens van een aantal jonge mensen: Alecia, priesteres in opleiding, Tarid, half mens, half Hirita en Frelik, een jonge jongen op de vlucht voor de vijand. De levens van hen zullen, je voelt het al aan, vanzelf ineen worden gevlochten. Aan het einde van boek 1 zijn Frelik, Tarid en Peritar al bij elkaar gekomen. Elk van deze personages heeft zo zijn/haar eigen problemen, vragen en worstelingen. Keuzes maken en de consequenties dragen van die keuzes, daar draait het allemaal om. In Keruga, het priesterdom, leren we Alecia kennen. Ze worstelt met de strenge leer van de priesters. Brengen alle wetten en regeltjes echte vrijheid? Hoe verhouden deze zich ten opzichte van de Almachtige zelf? Als priesteres in opleiding zal ze een nacht doorbrengen voor de Spiegel der Dromen. Hier ontvangt ze een visioen over een gigantische inktvis die zijn tentakels spreidt over de hele wereld. Deze inktvis wordt de Kraak genoemd. Dan is er nog de Krakenvorst, een demonische heerser die het volk hoge belastingen oplegt. Dit noopt vele mensen tot wanhopige maatregelen. Alecia gaat haar boodschap overbrengen bij de koning van Kartaalmon. Hier wordt ze geconfronteerd met tegenwerking en ze wordt gedwongen te vluchten. Op dat moment vallen vijandelijke legers van buiten het koninkrijk Kartaalmon aan: de zwarte rovers (monsters) vallen de burgers aan van het koninkrijk.

Klein Haneveld weet de sfeer in zijn boek goed te beschrijven: uitgebreide natuurbeschrijvingen en gedetailleerde informatie over mensen en plaatsen liggen hieraan ten grondslag. Hij mag wel proberen om niet te lang uit te weiden hierover, zijn kracht is ook een valkuil. Interessant, boeiend zelfs, is dat hij de thematiek en de boodschap van zijn non-fictieve werk De loser die wint laat terugkomen in een fantasyverhaal. Het staan in een religie waarin je beknot wordt door regels en wetten, al dan niet schriftelijk vastgelegd, leidt niet tot echte christelijke vrijheid. De auteur zet zich hier (terecht?) tegen af. Met name het eerste gedeelte van het boek gaat hierover. Alecia worstelt hiermee en ontvlucht uiteindelijk het priesterdom. Dat heeft veel te zeggen.

De Krakenvorst laat zich lezen als een soort parabel, een gelijkenis. Veel symbolen, motieven ontleend aan het christelijke geloof vind je terug in het boek. De kerkdienst die Alecia bijwoont in het begin van het boek doet denken aan kerkdiensten waarin de dominee bekende klanken uitgiet over de hoofden van de gemeenteleden, maar die ten diepste langs je heen gaan. Een wezenlijk gevaar! Het wettische geloof tegenover het staan in de christelijke vrijheid komt diepgaand aan de orde:

‘Als iemand zich niet houdt aan de geboden, moet hij daar op worden gewezen. “Hij heeft gerechtigheid lief”, staat in hetzelfde boek. ‘En gerechtigheid staat gelijk aan het gehoorzamen van regels?’ vroeg Forina ontsteld. ‘Zoals het op tijd in de dienst komen?’ Manila knikte. ‘Op die manier dienen we de Almachtige. (…) “Geboden zijn er niet voor niets. Wie de kleine vergeet, houdt zich ook niet aan de grote”.

‘Ik voel me opgesloten, alsof ik vastzit in kettingen, die langzaam strakker worden. Alles waardoor ik tot leven kom, mijn eten en drinken, moet ik van de priesters wegdoen. Geen plezier, geen vrienden, alleen hun regels en hun boeken. Maar ik wil vrij zijn. Ik wil reizen, mensen ontmoeten, de wereld zien…’

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat mensen zich hierin, helaas, zullen herkennen. Dat deze worsteling serieus genomen wordt door een fantasyschrijver als Klein Haneveld, is een troost. Invoelend, meelevend verwoordt hij die geestelijke strijd omdat hij zelf erdoorheen gegaan is. Ik roep een ieder op om De loser die wint te lezen en daarna zijn tweeluik over De Krakenvorst.

 

 

Keith, Ellen | Gedwongen kampliefde

Een Duits concentratiekamp  tijdens de Tweede Wereldoorlog en een cellencomplex  waar de Argentijnse militaire junta zijn tegenstanders gevangen hield vormen het decor van de aangrijpende roman Gedwongen kampliefde. Een fictief verhaal, maar gebaseerd op een gruwelijke werkelijkheid.

De verzetsstrijders Theo en Marijke de Graaf worden gearresteerd en afgevoerd naar Buchenwald waar ze de verschrikkingen van het naziregime ondergaan. Al snel krijgt Marijke de kans om aan de grootste ellende te ontsnappen, maar daar moet ze wel een heel hoge prijs voor betalen: werken in het kampbordeel voor gevangenen. Een onmogelijk dilemma want beide keuzes hebben hun verschrikkelijke consequenties. Marijke kiest  en voert haar strijd om mens te blijven en zichzelf in de ogen te kunnen blijven kijken.

SS-officier Karl Müller heeft in Gedwongen kampliefde een andere strijd te voeren. Als nazi een bureaufunctie vervullen is wel heel iets anders als verantwoordelijk zijn voor het martelen en moorden in een concentratiekamp. Het kost hem moeite, maar moet zich handhaven en daarbij ook aan de verwachtingen van zijn fanatieke vader voldoen.

Als hij Marijke ontmoet en van haar diensten gebruik maakt, ontstaat er een zekere relatie tussen hen. Een bizarre relatie waarin haat en liefde, schuld en schaamte, goed en fout lijnrecht tegenover elkaar staan. Marijke en Karl maken gebruik en misbruik van elkaar om beiden te kunnen overleven. Bij beiden speelt eigenbelang een hoofdrol, maar het is voor mij gemakkelijker om Marijke te vergeven dan Karl, en dat heeft vooral te maken met de tweede verhaallijn in Gedwongen Kampliefde.

Luciano Wagner wordt gearresteerd vanwege zijn protest tegen de Argentijnse militaire junta. Hij heeft een Duitse vader met wie hij nooit een goede band heeft kunnen ontwikkelen. Altijd kreeg hij het gevoel dat hij niet voldeed aan de verwachtingen die zijn vader koesterde.

Heel subtiel roept Ellen Keith vragen op over vader Arturo Wagner. Waarom gedraagt hij zich zoals hij doet? Waarom heeft hij zo’n moeite met de geaardheid van zijn zoon? Waarom hangt er zoveel geheimzinnigheid rond zijn persoon? Wie is hij eigenlijk?

Marijke komt na veel ontberingen uiteindelijk thuis na de ineenstorting van het Duitse rijk en wonder boven wonder leeft ook Theo nog. Na een gedwongen kampliefde volgt een gedwongen zwijgen uit liefde en zelfbehoud.

Luciano Wagner komt niet meer thuis, hij is een van de vele verdwenen personen waar op de Plaza de Mayo door de even zovele moeders voor wordt gedemonstreerd. Uiteindelijk worden de vragen rond Arturo beantwoord. Niet verrassend, wel confronterend. Een vader die geen vader kon zijn, omdat hij zelf niet de zoon heeft kunnen zijn die hij had moeten en willen zijn.

Gedwongen kampliefde is geen vrolijk boek, het confronteert je met de zwartste kanten van het leven. Er staan gruwelijkheden in beschreven die je helemaal niet wilt lezen, maar het boek vraagt om de moed om door te lezen.  Dan zal je  tot in het diepst van jezelf ervaren dat er omstandigheden zijn waarin het ongelooflijk moeilijk is de grens tussen wat goed en wat fout is, wat schuld en verantwoordelijkheid is,  te bepalen.

 

Treur, Franca | Hoor nu mijn stem

 

Vanzelf ongelovig

Franca Treur - Hoor nu mijn stemWie ben ik? En mag ik zijn wie ik ben? Hoofdpersoon Gina – als meisje Ina – is in de roman Hoor nu mijn stem naarstig op zoek naar haar identiteit. Ze is een weesmeisje dat opgroeit bij haar tantes in Zeeland, in het reformatorische milieu zoals we dat uit Treurs eerdere roman Dorsvloer vol confetti kennen. Maar waar Katelijnes verhaal stopt voordat ze gaat puberen, gaat Gina’s verhaal daar verder.

Als presentator bij Radio 1 is Gina helemaal een vrouw van deze tijd. Ze vindt zichzelf succesvol, maar onder de oppervlakte woelt onzekerheid. Het lukt haar niet om het geluk te vinden in de liefde, in haar werk blijkt ze minder onmisbaar dan ze dacht en haar relatie met thuis is wankel. De reformatorische tantes hebben geen idee dat hun nichtje een ‘afvallige’ is geworden, ze weten zelfs niet dat Gina radiopresentator is en op een ietwat geforceerde manier doet Gina er alles aan om dat zo te houden. Tussendoor lees je het verhaal van Gina’s jeugd en de ontwikkeling die ze doormaakt. Enerzijds is er in haar een hunkering om een voorbeeldig meisje te zijn, geen naamchristen maar een uitverkoren kind van God. Anderzijds is er de hang naar het leven hier en nu, verlangt ze eigen keuzes te maken in plaats van ja te zeggen tegen opgelegde ‘waarheden’. In haar studententijd bereikt deze innerlijke strijd een climax als ze enerzijds belijdeniscatechisatie volgt en anderzijds colleges van een atheïstische professor.

Zo zat ze daar alleen op haar studentenkamer, huilend, biddend als een bezetene, en daarna obsessief door de Bijbel gaand op zoek naar teksten waardoor de Heere kon antwoorden, tot ze vroeg in de ochtend uitgeput in slaap viel.

En toen ze de volgende dag wakker werd, drong het tot haar door. De ontzaglijke waarheid: wat ze wilde, wilde ze niet écht. Ze zag het heel duidelijk voor zich, en schaamte spoelde over haar heen. Het was alsof haar voor het slapengaan een belofte was gedaan. Namelijk, dat zou uitkomen wat ze in haar dromen zou wensen. Haar allerliefste wens zou vervuld zijn bij het ontwaken. Maar ze had genoeg Freud gelezen om te weten dat wat je droomt niet datgene is wat je wenst als je wakker bent. In dromen komen onbewuste wensen naar boven, dat wat je écht wilt.

En wat ze écht wilde was een ander leven dan dat van tante Ma, met haar strenge prekenboeken en haar oogkleppen op. Onafgebroken in de nette kamer met haar Bijbel als het antwoord op alles en haar haar in een knot. Ze had altijd gevoeld dat dat het ware was. Van kinds af aan had ze het ook nagestreefd. Maar wat ze diep vanbinnen wilde, écht wilde, was: leven.

Het reformatorische milieu schildert Franca zwart-wit. Realistisch is de waarde die men hecht aan uiterlijke regels, de sociale druk van de gemeenschap, het niet-vanzelfsprekende een kind van God te zijn. Daartegenover staat dan het leven in ‘de wereld’, los van God en gebod. De scheiding tussen deze werelden is in het boek heel strikt, op het irrealistische af. Dit doet een beetje naïef aan. Alsof reformatorische mensen volstrekt wereldvreemd door het leven gaan. Zonder televisie, zonder radio, met zo min mogelijk contact met de buitenwereld. Exemplarisch is het fragment waarin Gina als kind buiten loopt en plotseling uit een tractor het weerbericht hoort. De stem van God, denkt ze, tot ze dezelfde stem de prijs van bananen hoort vertellen. De radio. Hoor nu mijn stem.

De zoektocht naar een eigen identiteit binnen een dominante subgroep is enerzijds herkenbaar voor mensen die uit het beschreven milieu afkomstig zijn, maar heeft tegelijk iets vermoeiends. Waar het meisje sympathie opwekt in haar onzekerheid, haar vragen omtrent geloof en het milieu waarin ze opgroeit, roept de volwassen Gina ook een lichte irritatie op. Want waarom hakt ze wel de knoop door om haar eigen weg te gaan, los van God en kerk, maar durft ze dit thuis niet aan tante Ma te vertellen? Omdat ze niet los genoeg is van haar achtergrond? Haar tante niet wil kwetsen? De schijn op wil houden? Hoe dan ook, Treur laat ermee zien dat het moeilijk is om jezelf een nieuwe identiteit aan te meten, anders dan degene die je vanuit je opvoeding meekrijgt. Toch maakt juist dit dat je na lezing van het boek een wat onbevredigd gevoel overhoudt. Waarom de confrontatie niet aangegaan? Dit had het verhaal mogelijk wat meer spanning en een extra dimensie kunnen geven.